BWBR0032607
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 8
Regeling klachtbehandeling politie
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013 met uitzondering van artikel 3, achtste lid, tweede volzin, die in werking treedt met ingang van 1 januari 2015.
2. De verplichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, om de leden van de klachtencommissie te benoemen op basis van een open sollicitatieprocedure, is niet van toepassing op de benoeming met ingang van 1 januari 2013, voor zover het een commissielid betreft dat voor 1 januari 2013 lid was van een klachtencommissie als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, zoals dit luidde voor 1 januari 2013.
3. In afwijking van artikel 3, tweede lid, tweede volzin, kunnen de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters en de overige leden van de klachtencommissie tot 1 juni 2015 worden benoemd uit het midden van de leden van de klachtencommissie.
4. In afwijking van artikel 3, tweede lid, behouden de voor 1 december 2014 benoemde leden die hoedanigheid tot uiterlijk 1 juni 2015.
5. In afwijking van artikel 3, tweede lid, behouden de voor 1 december 2014 aangewezen voorzitters respectievelijk plaatsvervangers die hoedanigheid tot de datum waarop de Minister hen uit die hoedanigheid ontheft, tot uiterlijk 1 juni 2015.
2. De verplichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, om de leden van de klachtencommissie te benoemen op basis van een open sollicitatieprocedure, is niet van toepassing op de benoeming met ingang van 1 januari 2013, voor zover het een commissielid betreft dat voor 1 januari 2013 lid was van een klachtencommissie als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdeel a, van de Politiewet 1993, zoals dit luidde voor 1 januari 2013.
3. In afwijking van artikel 3, tweede lid, tweede volzin, kunnen de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitters en de overige leden van de klachtencommissie tot 1 juni 2015 worden benoemd uit het midden van de leden van de klachtencommissie.
4. In afwijking van artikel 3, tweede lid, behouden de voor 1 december 2014 benoemde leden die hoedanigheid tot uiterlijk 1 juni 2015.
5. In afwijking van artikel 3, tweede lid, behouden de voor 1 december 2014 aangewezen voorzitters respectievelijk plaatsvervangers die hoedanigheid tot de datum waarop de Minister hen uit die hoedanigheid ontheft, tot uiterlijk 1 juni 2015.