BWBR0032219
Geldig vanaf 2018-06-14
Artikel 3
Besluit mandaat en machtiging certificering zeeschepen 2012
1. De in artikel 8, eerste lid, en 8a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenbedoelde bevoegdheid van de minister tot het afgeven van certificaten, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties.
2. De in artikel 34 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenbedoelde bevoegdheid van de minister tot het verlenen van ontheffing van het in artikel 13 van die wetgenoemde verbod, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties.
3. De in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenbedoelde bevoegdheid van de minister tot het intrekken van certificaten, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties .
2. De in artikel 34 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenbedoelde bevoegdheid van de minister tot het verlenen van ontheffing van het in artikel 13 van die wetgenoemde verbod, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties.
3. De in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenbedoelde bevoegdheid van de minister tot het intrekken van certificaten, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties .