BWBR0032163
Geldig vanaf 2012-11-03
Artikel 13
Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs
1. Indien een instelling in 2016 de in het vooruitzicht gestelde resultaten voor 2015 met betrekking tot de aspecten
a. kwaliteit en excellentie,
b. studiesucces of
c. maatregelen met betrekking tot onderwijsintensiteit, docentkwaliteit en indirecte kosten,
naar het oordeel van Onze Minister niet of in onvoldoende mate heeft behaald,wordt een nieuwe toekenning voor onderwijskwaliteit en studiesucces voor het daaropvolgende tijdvak voor elk genoemd aspect telkens met een derde deel verminderd.
2. Onverminderd artikel 8, tweede en vierde lid, maakt Onze Minister voor het bepalen van zijn oordeel gebruik van de indicatoren die in bijlage 2bij dit besluit zijn opgenomen.
3. Indien Onze Minister, op grond van de verantwoording, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van oordeel is, dat een instelling onvoldoende een start heeft gemaakt met de versnelde, geïntensiveerde of verdiepte uitvoering van de voorgestelde plannen met betrekking tot profilering en zwaartepuntvorming, blijft toekenning van bekostiging voor profilering en zwaartepuntvorming voor de jaren 2015 en 2016 achterwege.
4. De middelen voor profilering en zwaartepuntvorming die als gevolg van onvoldoende presteren van een instelling niet langer worden toegekend worden verdeeld volgens de uitgangspunten van artikel 10, vijfde lid.
a. kwaliteit en excellentie,
b. studiesucces of
c. maatregelen met betrekking tot onderwijsintensiteit, docentkwaliteit en indirecte kosten,
naar het oordeel van Onze Minister niet of in onvoldoende mate heeft behaald,wordt een nieuwe toekenning voor onderwijskwaliteit en studiesucces voor het daaropvolgende tijdvak voor elk genoemd aspect telkens met een derde deel verminderd.
2. Onverminderd artikel 8, tweede en vierde lid, maakt Onze Minister voor het bepalen van zijn oordeel gebruik van de indicatoren die in bijlage 2bij dit besluit zijn opgenomen.
3. Indien Onze Minister, op grond van de verantwoording, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van oordeel is, dat een instelling onvoldoende een start heeft gemaakt met de versnelde, geïntensiveerde of verdiepte uitvoering van de voorgestelde plannen met betrekking tot profilering en zwaartepuntvorming, blijft toekenning van bekostiging voor profilering en zwaartepuntvorming voor de jaren 2015 en 2016 achterwege.
4. De middelen voor profilering en zwaartepuntvorming die als gevolg van onvoldoende presteren van een instelling niet langer worden toegekend worden verdeeld volgens de uitgangspunten van artikel 10, vijfde lid.