BWBR0032151
Geldig vanaf 2012-11-01
Artikel 12
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2012
1. Bij de beoordeling van de ruimte voor de opleiding binnen het bestaande onderwijsaanbod betrekt de minister in elk geval de volgende elementen:
a. het aantal bestaande, vergelijkbare, bekostigde opleidingen bij andere instellingen en de gemeenten waar deze opleidingen worden verzorgd;
b. de aanwezigheid van vergelijkbaar geaccrediteerd onderwijs dat de student bij een rechtspersoon voor hoger onderwijs onder vergelijkbare condities kan volgen als het onderwijs van een bekostigde opleiding;
c. de studenteninstroom in de opleidingen, bedoeld onder a en b, en een schatting met realistische onderbouwing van de studenteninstroom in de nieuwe opleiding;
d. kwantitatieve gegevens over de arbeidsmarktvraag naar afgestudeerden van de bestaande opleidingen en de nieuwe opleiding;
e. in geval van een voornemen voor het verzorgen van een opleiding op een openbaar lichaam BES: tevens het bestaande hoger onderwijsaanbod voor de gehele regio, zijnde de BES, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten.
2. Naast deze basiselementen betrekt de minister bij de beoordeling tevens de volgende elementen:
a. voor zover aanwezig door de onderwijssector zelf opgestelde en door de rijksoverheid onderschreven sectorplannen of sectorale afspraken en door de CDHO uitgevoerde sectorale verkenningen, waaronder sectoranalyses;
b. de zienswijzen die verzorgers van het onderwijs als bedoeld in het eerste lid onder a en b bij de minister hebben ingediend;
c. de spreiding van opleidingen in relatie tot de vestigingsplaats of vestigingsplaatsen van de nieuwe opleiding;
d. het bestaan van een beperkte onderwijscapaciteit als bedoeld in artikel 7.53 van de wet bij vergelijkbare opleidingen en de onderwijscapaciteit van de nieuwe opleiding; en
e. de onderwijsvorm, bedoeld in artikel 7.7 van de wet, waarin de opleiding wordt aangeboden.
a. het aantal bestaande, vergelijkbare, bekostigde opleidingen bij andere instellingen en de gemeenten waar deze opleidingen worden verzorgd;
b. de aanwezigheid van vergelijkbaar geaccrediteerd onderwijs dat de student bij een rechtspersoon voor hoger onderwijs onder vergelijkbare condities kan volgen als het onderwijs van een bekostigde opleiding;
c. de studenteninstroom in de opleidingen, bedoeld onder a en b, en een schatting met realistische onderbouwing van de studenteninstroom in de nieuwe opleiding;
d. kwantitatieve gegevens over de arbeidsmarktvraag naar afgestudeerden van de bestaande opleidingen en de nieuwe opleiding;
e. in geval van een voornemen voor het verzorgen van een opleiding op een openbaar lichaam BES: tevens het bestaande hoger onderwijsaanbod voor de gehele regio, zijnde de BES, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten.
2. Naast deze basiselementen betrekt de minister bij de beoordeling tevens de volgende elementen:
a. voor zover aanwezig door de onderwijssector zelf opgestelde en door de rijksoverheid onderschreven sectorplannen of sectorale afspraken en door de CDHO uitgevoerde sectorale verkenningen, waaronder sectoranalyses;
b. de zienswijzen die verzorgers van het onderwijs als bedoeld in het eerste lid onder a en b bij de minister hebben ingediend;
c. de spreiding van opleidingen in relatie tot de vestigingsplaats of vestigingsplaatsen van de nieuwe opleiding;
d. het bestaan van een beperkte onderwijscapaciteit als bedoeld in artikel 7.53 van de wet bij vergelijkbare opleidingen en de onderwijscapaciteit van de nieuwe opleiding; en
e. de onderwijsvorm, bedoeld in artikel 7.7 van de wet, waarin de opleiding wordt aangeboden.