BWBR0032085
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 4
Regeling agentschappen
1. Bij de in artikel 3bedoelde aanvraag worden stukken overgelegd waaruit blijkt dat het te verzelfstandigen dienstonderdeel als toekomstig agentschap voldoet aan de instellingsvoorwaarden, inhoudende dat het:
a. een verwachte omzet of verwachte ontvangsten heeft van meer dan € 50 miljoen op jaarbasis;
b. een resultaatgericht sturingsmodel heeft als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13;
c. doelmatiger gaat werken dan als dienstonderdeel van het betrokken ministerie en aangeeft hoe de dienst als agentschap de doelmatigheid tenminste gedurende de vijf daarna volgende jaren verder zal ontwikkelen;
d. een zodanig verband kan leggen tussen uitgaven en prestaties, dat bekostiging op basis van prestaties mogelijk is;
e. een voldoende kwaliteitsniveau van de financiële functie en het financieel beheer kan waarborgen.
2. De Minister van Financiën stelt met betrekking tot de aanvraag vast op welke gebieden bedoeld in het eerste lid nog nadere invulling dient plaats te vinden en aan welke zonodig aanvullende voorwaarden op het gebied van de doelmatige bedrijfsvoering nog dient te worden voldaan.
3. Indien naar het oordeel van de Minister van Financiën is gebleken dat aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid is voldaan, overlegt de betrokken minister een door de onderscheidenlijk in artikel 10, 11en 12bedoelde eigenaar, opdrachtgever(s) en opdrachtnemer ondertekend convenant waaruit de opzet en het verwachte functioneren, overeenkomstig het eerste en tweede lid, van het toekomstig agentschap blijkt.
4. Na ontvangst van het convenant zoals bedoeld in het derde lid legt de betrokken minister, mede namens de Minister van Financiën, het voorgenomen besluit tot instelling van het agentschap voor aan de ministerraad.
a. een verwachte omzet of verwachte ontvangsten heeft van meer dan € 50 miljoen op jaarbasis;
b. een resultaatgericht sturingsmodel heeft als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13;
c. doelmatiger gaat werken dan als dienstonderdeel van het betrokken ministerie en aangeeft hoe de dienst als agentschap de doelmatigheid tenminste gedurende de vijf daarna volgende jaren verder zal ontwikkelen;
d. een zodanig verband kan leggen tussen uitgaven en prestaties, dat bekostiging op basis van prestaties mogelijk is;
e. een voldoende kwaliteitsniveau van de financiële functie en het financieel beheer kan waarborgen.
2. De Minister van Financiën stelt met betrekking tot de aanvraag vast op welke gebieden bedoeld in het eerste lid nog nadere invulling dient plaats te vinden en aan welke zonodig aanvullende voorwaarden op het gebied van de doelmatige bedrijfsvoering nog dient te worden voldaan.
3. Indien naar het oordeel van de Minister van Financiën is gebleken dat aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid is voldaan, overlegt de betrokken minister een door de onderscheidenlijk in artikel 10, 11en 12bedoelde eigenaar, opdrachtgever(s) en opdrachtnemer ondertekend convenant waaruit de opzet en het verwachte functioneren, overeenkomstig het eerste en tweede lid, van het toekomstig agentschap blijkt.
4. Na ontvangst van het convenant zoals bedoeld in het derde lid legt de betrokken minister, mede namens de Minister van Financiën, het voorgenomen besluit tot instelling van het agentschap voor aan de ministerraad.