BWBR0032075
Geldig vanaf 2021-12-17
Artikel 16
Subsidieregeling instandhouding monumenten
1. Een professionele organisatie voor monumentenbehoud kan de subsidie aanwenden voor uitvoering van subsidiabele werkzaamheden aan alle rijksmonumenten en zelfstandige onderdelen uit de meerjarenbegroting, bedoeld in artikel 9, waarvoor subsidie is verleend.
2. Na een aanvraag als bedoeld in artikel 2en onverminderd artikel 14kan de Minister er mee instemmen dat een professionele organisatie voor monumentenbehoud een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 9ten behoeve waarvan subsidie is verleend met ingang van het opvolgende kalenderjaar uitbreidt met andere rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen die geen onderdeel uitmaken van die begroting. In dat geval wijzigt de Minister de beschikking tot subsidieverlening en verhoogt hij de verleende subsidie naar rato van het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting. De verhoging is gelijk aan de subsidiabele kosten voor de toe te voegen rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, vermenigvuldigd met het geldende subsidiepercentage, met dien verstande dat:
a. voor molens de subsidiabele kosten maximaal € 15.833,33 bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting; en
b. voor overige rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, de subsidiabele kosten maximaal 0,5 procent van de herbouwwaarde bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting.
2. Na een aanvraag als bedoeld in artikel 2en onverminderd artikel 14kan de Minister er mee instemmen dat een professionele organisatie voor monumentenbehoud een meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 9ten behoeve waarvan subsidie is verleend met ingang van het opvolgende kalenderjaar uitbreidt met andere rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen die geen onderdeel uitmaken van die begroting. In dat geval wijzigt de Minister de beschikking tot subsidieverlening en verhoogt hij de verleende subsidie naar rato van het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting. De verhoging is gelijk aan de subsidiabele kosten voor de toe te voegen rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, vermenigvuldigd met het geldende subsidiepercentage, met dien verstande dat:
a. voor molens de subsidiabele kosten maximaal € 15.833,33 bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting; en
b. voor overige rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, de subsidiabele kosten maximaal 0,5 procent van de herbouwwaarde bedragen, vermenigvuldigd met het aantal resterende kalenderjaren van de meerjarenbegroting.