BWBR0031740
Geldig vanaf 01-04-2023
Artikel 2.3.1
Beleidsregel geschiktheid 2012
1. Een beleidsbepaler van een adviseur, bemiddelaar of herverzekeringsbemiddelaar of een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over:
a. bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid; en
b. leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding.
2. Een beleidsbepaler van een bemiddelaar of adviseur in beleggingsobjecten of een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij, in aanvulling op de eisen uit 2.3.1.1 aantoont te beschikken over:
c. algemene vakinhoudelijke kennis; en
d. specifieke vakinhoudelijke kennis.
3. De vaardigheden en kennis uit het eerste en tweede lid zijn opgedaan gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. De vaardigheden en kennis uit het eerste en tweede lid moet zijn opgedaan in een relevante werkomgeving.
4. Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.3.1 twee of meer beleidsbepalers heeft, is voor de toetsing van de leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding voldoende dat één van die beleidsbepalers aantoont daarover te beschikken.
5. Indien een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.3, vierde lid, Wft twee of meer beleidsbepalers heeft, is het voor de beoordeling van de specifieke vakinhoudelijke kennis als bedoeld in onderdeel 2.3.1.1.c voldoende dat het collectief gezamenlijk daarover beschikt.
a. bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid; en
b. leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding.
2. Een beleidsbepaler van een bemiddelaar of adviseur in beleggingsobjecten of een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij, in aanvulling op de eisen uit 2.3.1.1 aantoont te beschikken over:
c. algemene vakinhoudelijke kennis; en
d. specifieke vakinhoudelijke kennis.
3. De vaardigheden en kennis uit het eerste en tweede lid zijn opgedaan gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. De vaardigheden en kennis uit het eerste en tweede lid moet zijn opgedaan in een relevante werkomgeving.
4. Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.3.1 twee of meer beleidsbepalers heeft, is voor de toetsing van de leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding voldoende dat één van die beleidsbepalers aantoont daarover te beschikken.
5. Indien een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.3, vierde lid, Wft twee of meer beleidsbepalers heeft, is het voor de beoordeling van de specifieke vakinhoudelijke kennis als bedoeld in onderdeel 2.3.1.1.c voldoende dat het collectief gezamenlijk daarover beschikt.
- Citeren als
- Art. 2.3.1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0031740
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl