BWBR0031351
Geldig vanaf 2025-10-09
Artikel 22a
Scheepsafvalstoffenregeling Rijn- en binnenvaart
1. Het effluent dat wordt geloosd uit een zuiveringsinstallatie als bedoeld in artikel 77, derde lid, van het besluit, waarin het bedrijfsafvalwater is behandeld:
a. mag geen zichtbare verontreiniging in de vorm van drijvende vaste deeltjes of verkleuring van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam veroorzaken, en;
b. voldoet aan de normen uit hoofdstuk 4.1 van resolutie MEPC.159(55).
c. controle hierop vindt plaats op basis van een willekeurig genomen steekmonster, waarbij wordt getoetst op de volgende eisen: i. BZV5: 40 mg/l;
ii. CZV: 180 mg/l;
iii. pH: 6–8,5;
iv. vrij chloor: 0,5 mg/l.
i. BZV5: 40 mg/l;
ii. CZV: 180 mg/l;
iii. pH: 6–8,5;
iv. vrij chloor: 0,5 mg/l.
2. Een zuiveringsinstallatie is voldoende gedimensioneerd, is aantoonbaar in een goede staat van onderhoud en wordt op kundige wijze beheerd.
3. Het uit een zuiveringsinstallatie afkomstige zuiveringsslib mag niet in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht.
a. mag geen zichtbare verontreiniging in de vorm van drijvende vaste deeltjes of verkleuring van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam veroorzaken, en;
b. voldoet aan de normen uit hoofdstuk 4.1 van resolutie MEPC.159(55).
c. controle hierop vindt plaats op basis van een willekeurig genomen steekmonster, waarbij wordt getoetst op de volgende eisen: i. BZV5: 40 mg/l;
ii. CZV: 180 mg/l;
iii. pH: 6–8,5;
iv. vrij chloor: 0,5 mg/l.
i. BZV5: 40 mg/l;
ii. CZV: 180 mg/l;
iii. pH: 6–8,5;
iv. vrij chloor: 0,5 mg/l.
2. Een zuiveringsinstallatie is voldoende gedimensioneerd, is aantoonbaar in een goede staat van onderhoud en wordt op kundige wijze beheerd.
3. Het uit een zuiveringsinstallatie afkomstige zuiveringsslib mag niet in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht.