BWBR0031024
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel III
Besluit vaststelling Protocol inzake de beheers- en beleidsmatige positie van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (Protocol KIM)
1. De onderzoekportefeuille van het KiM wordt grotendeels vraaggestuurd gevuld. Ten aanzien van deze `onderzoekagenda' dient een onderscheid gemaakt te worden tussen a) de langere termijn onderzoekprogrammering met een thematisch karakter en b) de besluitvorming met betrekking tot acute, niet-geprogrammeerde onderzoekwensen.
2. Een goede onderzoekprogrammering is van vitaal belang. In de eerste plaats wordt in het proces van programmeren op gestructureerde wijze helderheid verkregen over de behoeften bij het beleid aan wetenschappelijk gefundeerde kennis. Door het thematisch bundelen van de diverse concrete behoeften kan, in de tweede plaats, het wetenschappelijk onderzoek worden verdiept en wordt de cumulatie van kennis bevorderd. In de derde plaats verschaft het onderzoekprogramma een beoordelingskader voor de te ondernemen onderzoekactiviteiten en is het tevens een sturingsinstrument voor de eigen organisatie: op welke wijze en met welke middelen zal uitvoering aan de programmering worden gegeven?
3. Het KiM communiceert actief met andere delen van het ministerie van IenM door middel van presentaties, gesprekken en informele contacten. De directeur van het KiM is agendalid van de Bestuursraad, zodat hij zich kan oriënteren op de hoofdlijnen van het beleid en de beleidsoverwegingen. Alle producten van het KiM worden – al dan niet in samengevatte vorm – ter kennis gebracht van de departementsleiding en worden besproken met de leiding van de dienstonderdelen die het aangaat.
4. De inhoudelijke sturing krijgt invulling door de ontwikkeling van een strategisch onderzoekbeleid. Dit komt tot uiting in een jaarlijks werkplan van het KiM. Het werkplanproces kent de volgende drie fasen:
a. Inventarisatie. Op basis van het vele informele overleg dat zowel rond het interne als het externe onderzoek plaatsvindt, en van de besprekingen over de voortgang van onderzoekondersteuning op de diverse beleidsprogramma's en taakterreinen kan een eerste inventarisatie worden opgemaakt van de belangrijkste strategische beleidsproblemen en de hieraan gekoppelde behoeften aan wetenschappelijke ondersteuning. Gelijktijdig hieraan kan, bijvoorbeeld met behulp van brainstormsessies en strategische beleidsconferenties, reeds informeel bij de leiding van de IenM-onderdelen over de aard van de wetenschappelijke bijdragen aan IenM-beleid worden gesproken. Het is hierbij van belang dat naast concrete onderzoekwensen vooral ook te onderzoeken trends, toekomstige beleidsonderwerpen, maatschappelijke ontwikkelingen die voor IenM van belang zijn, etc., worden opgetekend. De Strategische Kennis- en Innovatie-agenda van IenM fungeert als een belangrijke basis voor deze inventarisatie. Deze `ruwe' inventarisatie wordt door het KiM verwerkt: er vindt een thematische bundeling plaats en van concrete onderzoekwensen wordt nagegaan of deze onderzoekwaardig (is over het onderwerp inderdaad nog onvoldoende bekend?) en onderzoekbaar (kan onderzoek antwoord geven op de gestelde vragen?) zijn. Tevens wordt een indicatie gegeven van de termijn waarbinnen de gevraagde kennis wordt opgeleverd en de mate waarin het KiM in de productie van de kennis investeert.
b. Advisering. De aldus `veredelde' inventarisatie wordt vervolgens in een formele adviesronde voorgelegd aan onder meer de Programmaraad (zie punt 8) van het KiM. In deze ronde dient vooral op mogelijke blinde vlekken gelet te worden en dient beoordeeld te worden welk gewicht de aangedragen thema's hebben gelet op het belang voor de beleidsvorming op (middel)lange termijn. Dit advies wordt verwerkt in een document dat wordt besproken met de departementsleiding.
c. Besluitvorming. De secretaris-generaal stelt het document vast.
6. Het KiM kan naast gevraagde beleidsonderzoeken ook ongevraagde onderzoeken uitvoeren. Deze worden opgenomen in de onderzoeksprogrammering. Als het KiM een ongevraagd onderzoek uitvoert, wordt de departementsleiding daarover door het KiM geïnformeerd.
7. Verzoeken aan het KiM tot het doen van onderzoek door instanties die niet vallen binnen het ambtsbereik van de minister van IenM (aan te duiden als externen) worden afgewogen in samenhang met het vastgestelde onderzoekprogramma. Dit geldt ook ten aanzien van vragen die vanuit de Tweede Kamer aan de minister worden gesteld om het KiM onderzoeken te doen verrichten en voor onderzoek ter ondersteuning van het werk van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur. De departementsleiding beoordeelt dergelijke verzoeken. Daarbij gelden de volgende criteria:
a. het gevraagde onderzoek is een afgeleide van eerder door het KiM verricht onderzoek.
b. het gevraagde externe onderzoek vormt in afgeleide zin een aanvulling op c.q. versterking van door het KiM verricht of nog te verrichten onderzoek;
c. extern onderzoek mag niet ten koste gaan van de primaire taakstelling;
d. de omvang van te verrichten extern onderzoek mag in geld uitgedrukt niet meer belopen dan 10% van het totale KiM-budget.
8. Ook de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat houdt zich bezig met vragen die het beleid ondersteunen. In zijn algemeenheid geldt dat vragen met een strategische of wetenschappelijke achtergrond primair bij het KiM zullen worden behandeld en vragen met een meer tactisch-operationele achtergrond bij de DVS.
9. De Programmaraad van het KiM bestaat uit vertegenwoordigers van de beleidsdirectoraten-generaal, de Inspectie Leefomgeving en Transport en Rijkswaterstaat.
De Programmaraad heeft een belangrijke rol bij de totstandkoming van het werkplan van het KiM. Zoals hiervoor beschreven in punt 5, wordt in intensieve interactie met de beleidsonderdelen van IenM een inventarisatie gemaakt van de onderzoekswensen. Het is van belang dat deze inventarisatie door vertegenwoordigers op hoog niveau vanuit de beleidsonderdelen, vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport en vanuit RWS wordt bezien op compleetheid.
10. De resultaten van het werk van het KiM worden bepaald door de eisen van wetenschappelijke kwaliteit. Het KiM wordt geleid door een hoogleraar of iemand met vergelijkbare kwaliteiten.
11. De kwaliteit van het werk van het KiM wordt geborgd door een systeem van externe audits. Dit kan via ‘peer reviews’ of visitaties door (beleids)onderzoekers van buiten IenM. Het gaat met name om gerenommeerde wetenschappers en deskundigen bij andere planbureaus. De bevindingen van de externe audits worden gepubliceerd.
12. De medewerkers van het KiM nemen deel aan het (internationaal) wetenschappelijk forum.
2. Een goede onderzoekprogrammering is van vitaal belang. In de eerste plaats wordt in het proces van programmeren op gestructureerde wijze helderheid verkregen over de behoeften bij het beleid aan wetenschappelijk gefundeerde kennis. Door het thematisch bundelen van de diverse concrete behoeften kan, in de tweede plaats, het wetenschappelijk onderzoek worden verdiept en wordt de cumulatie van kennis bevorderd. In de derde plaats verschaft het onderzoekprogramma een beoordelingskader voor de te ondernemen onderzoekactiviteiten en is het tevens een sturingsinstrument voor de eigen organisatie: op welke wijze en met welke middelen zal uitvoering aan de programmering worden gegeven?
3. Het KiM communiceert actief met andere delen van het ministerie van IenM door middel van presentaties, gesprekken en informele contacten. De directeur van het KiM is agendalid van de Bestuursraad, zodat hij zich kan oriënteren op de hoofdlijnen van het beleid en de beleidsoverwegingen. Alle producten van het KiM worden – al dan niet in samengevatte vorm – ter kennis gebracht van de departementsleiding en worden besproken met de leiding van de dienstonderdelen die het aangaat.
4. De inhoudelijke sturing krijgt invulling door de ontwikkeling van een strategisch onderzoekbeleid. Dit komt tot uiting in een jaarlijks werkplan van het KiM. Het werkplanproces kent de volgende drie fasen:
a. Inventarisatie. Op basis van het vele informele overleg dat zowel rond het interne als het externe onderzoek plaatsvindt, en van de besprekingen over de voortgang van onderzoekondersteuning op de diverse beleidsprogramma's en taakterreinen kan een eerste inventarisatie worden opgemaakt van de belangrijkste strategische beleidsproblemen en de hieraan gekoppelde behoeften aan wetenschappelijke ondersteuning. Gelijktijdig hieraan kan, bijvoorbeeld met behulp van brainstormsessies en strategische beleidsconferenties, reeds informeel bij de leiding van de IenM-onderdelen over de aard van de wetenschappelijke bijdragen aan IenM-beleid worden gesproken. Het is hierbij van belang dat naast concrete onderzoekwensen vooral ook te onderzoeken trends, toekomstige beleidsonderwerpen, maatschappelijke ontwikkelingen die voor IenM van belang zijn, etc., worden opgetekend. De Strategische Kennis- en Innovatie-agenda van IenM fungeert als een belangrijke basis voor deze inventarisatie. Deze `ruwe' inventarisatie wordt door het KiM verwerkt: er vindt een thematische bundeling plaats en van concrete onderzoekwensen wordt nagegaan of deze onderzoekwaardig (is over het onderwerp inderdaad nog onvoldoende bekend?) en onderzoekbaar (kan onderzoek antwoord geven op de gestelde vragen?) zijn. Tevens wordt een indicatie gegeven van de termijn waarbinnen de gevraagde kennis wordt opgeleverd en de mate waarin het KiM in de productie van de kennis investeert.
b. Advisering. De aldus `veredelde' inventarisatie wordt vervolgens in een formele adviesronde voorgelegd aan onder meer de Programmaraad (zie punt 8) van het KiM. In deze ronde dient vooral op mogelijke blinde vlekken gelet te worden en dient beoordeeld te worden welk gewicht de aangedragen thema's hebben gelet op het belang voor de beleidsvorming op (middel)lange termijn. Dit advies wordt verwerkt in een document dat wordt besproken met de departementsleiding.
c. Besluitvorming. De secretaris-generaal stelt het document vast.
6. Het KiM kan naast gevraagde beleidsonderzoeken ook ongevraagde onderzoeken uitvoeren. Deze worden opgenomen in de onderzoeksprogrammering. Als het KiM een ongevraagd onderzoek uitvoert, wordt de departementsleiding daarover door het KiM geïnformeerd.
7. Verzoeken aan het KiM tot het doen van onderzoek door instanties die niet vallen binnen het ambtsbereik van de minister van IenM (aan te duiden als externen) worden afgewogen in samenhang met het vastgestelde onderzoekprogramma. Dit geldt ook ten aanzien van vragen die vanuit de Tweede Kamer aan de minister worden gesteld om het KiM onderzoeken te doen verrichten en voor onderzoek ter ondersteuning van het werk van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur. De departementsleiding beoordeelt dergelijke verzoeken. Daarbij gelden de volgende criteria:
a. het gevraagde onderzoek is een afgeleide van eerder door het KiM verricht onderzoek.
b. het gevraagde externe onderzoek vormt in afgeleide zin een aanvulling op c.q. versterking van door het KiM verricht of nog te verrichten onderzoek;
c. extern onderzoek mag niet ten koste gaan van de primaire taakstelling;
d. de omvang van te verrichten extern onderzoek mag in geld uitgedrukt niet meer belopen dan 10% van het totale KiM-budget.
8. Ook de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat houdt zich bezig met vragen die het beleid ondersteunen. In zijn algemeenheid geldt dat vragen met een strategische of wetenschappelijke achtergrond primair bij het KiM zullen worden behandeld en vragen met een meer tactisch-operationele achtergrond bij de DVS.
9. De Programmaraad van het KiM bestaat uit vertegenwoordigers van de beleidsdirectoraten-generaal, de Inspectie Leefomgeving en Transport en Rijkswaterstaat.
De Programmaraad heeft een belangrijke rol bij de totstandkoming van het werkplan van het KiM. Zoals hiervoor beschreven in punt 5, wordt in intensieve interactie met de beleidsonderdelen van IenM een inventarisatie gemaakt van de onderzoekswensen. Het is van belang dat deze inventarisatie door vertegenwoordigers op hoog niveau vanuit de beleidsonderdelen, vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport en vanuit RWS wordt bezien op compleetheid.
10. De resultaten van het werk van het KiM worden bepaald door de eisen van wetenschappelijke kwaliteit. Het KiM wordt geleid door een hoogleraar of iemand met vergelijkbare kwaliteiten.
11. De kwaliteit van het werk van het KiM wordt geborgd door een systeem van externe audits. Dit kan via ‘peer reviews’ of visitaties door (beleids)onderzoekers van buiten IenM. Het gaat met name om gerenommeerde wetenschappers en deskundigen bij andere planbureaus. De bevindingen van de externe audits worden gepubliceerd.
12. De medewerkers van het KiM nemen deel aan het (internationaal) wetenschappelijk forum.