BWBR0030980
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 3
Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid verpleegkundig specialisten
De verpleegkundig specialist, bedoeld in artikel 1, is bevoegd tot de voorbehouden handelingen genoemd in artikel 36 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, voor zover:
a. die handelingen plaatsvinden binnen de uitoefening van het deelgebied van het beroep waarvoor zij een erkende specialistentitel, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, mogen voeren;
b. het handelingen betreft van een beperkte complexiteit;
c. het routinematige handelingen betreft;
d. het handelingen betreft waarvan de risico’s te overzien zijn;
e. die handelingen worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen;
f. het betreft: 1° voor de verpleegkundig specialist acute zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2° voor de verpleegkundig specialist chronische zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
3° voor de verpleegkundig specialist preventieve zorg bij somatische aandoeningen: – het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
4° voor de verpleegkundig specialist intensieve zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
5° voor de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg: – het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
1° voor de verpleegkundig specialist acute zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2° voor de verpleegkundig specialist chronische zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
3° voor de verpleegkundig specialist preventieve zorg bij somatische aandoeningen: – het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
4° voor de verpleegkundig specialist intensieve zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
5° voor de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg: – het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
a. die handelingen plaatsvinden binnen de uitoefening van het deelgebied van het beroep waarvoor zij een erkende specialistentitel, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, mogen voeren;
b. het handelingen betreft van een beperkte complexiteit;
c. het routinematige handelingen betreft;
d. het handelingen betreft waarvan de risico’s te overzien zijn;
e. die handelingen worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen;
f. het betreft: 1° voor de verpleegkundig specialist acute zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2° voor de verpleegkundig specialist chronische zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
3° voor de verpleegkundig specialist preventieve zorg bij somatische aandoeningen: – het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
4° voor de verpleegkundig specialist intensieve zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
5° voor de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg: – het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
1° voor de verpleegkundig specialist acute zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2° voor de verpleegkundig specialist chronische zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
3° voor de verpleegkundig specialist preventieve zorg bij somatische aandoeningen: – het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
4° voor de verpleegkundig specialist intensieve zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
5° voor de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg: – het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.