De verpleegkundig specialist, bedoeld in artikel 1, is bevoegd tot de voorbehouden handelingen genoemd in
artikel 36 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, voor zover:
a. die handelingen plaatsvinden binnen de uitoefening van het deelgebied van het beroep waarvoor zij een erkende specialistentitel, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, mogen voeren;
b. het handelingen betreft van een beperkte complexiteit;
c. het routinematige handelingen betreft;
d. het handelingen betreft waarvan de risico’s te overzien zijn;
e. die handelingen worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen;
f. het betreft: 1° voor de verpleegkundig specialist acute zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2° voor de verpleegkundig specialist chronische zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
3° voor de verpleegkundig specialist preventieve zorg bij somatische aandoeningen: – het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
4° voor de verpleegkundig specialist intensieve zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
5° voor de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg: – het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
1° voor de verpleegkundig specialist acute zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2° voor de verpleegkundig specialist chronische zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
3° voor de verpleegkundig specialist preventieve zorg bij somatische aandoeningen: – het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
4° voor de verpleegkundig specialist intensieve zorg bij somatische aandoeningen: – het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het verrichten van heelkundige handelingen;
– het verrichten van endoscopieën;
– het verrichten van catheterisaties;
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het verrichten van electieve cardioversie;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
5° voor de verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg: – het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
– het geven van injecties;
– het verrichten van puncties;
– het toepassen van defibrillatie;
– het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.