BWBR0030863
Geldig vanaf 2011-12-22
Artikel 15
Regeling risicoverevening 2012
1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, inclusief long/astma-klinieken en epilepsiecentra, maar uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
2. Het Zorginstituut merkt de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, uitgezonderd de long/astma-klinieken en de epilepsiecentra, en uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
3. Het Zorginstituut merkt de kosten- en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten, uitgezonderd de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra en de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
4. Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties waarop de beleidsregel ‘Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch-specialistische zorg’ van de zorgautoriteit van toepassing is, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
5. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
6. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
7. Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’:
a. de kostencomponent en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, uitgezonderd de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek van die instellingen;
b. de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra;
c. alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten.
2. Het Zorginstituut merkt de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, uitgezonderd de long/astma-klinieken en de epilepsiecentra, en uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
3. Het Zorginstituut merkt de kosten- en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten, uitgezonderd de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra en de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
4. Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties waarop de beleidsregel ‘Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch-specialistische zorg’ van de zorgautoriteit van toepassing is, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
5. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
6. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.
7. Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’:
a. de kostencomponent en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, uitgezonderd de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek van die instellingen;
b. de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra;
c. alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten.