BWBR0030819
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 7
Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2012
1. Het inspectierapport met betrekking tot kindercentra en gastouderbureaus wordt opgemaakt volgens het door GGD Nederland ontwikkelde risicomodel.
2. Een inspectierapport bevat:
a. de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van het kindercentrum, het gastouderbureau, de peuterspeelzaal of de voorziening voor gastouderopvang waar een onderzoek is uitgevoerd, evenals de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder;
b. de soort voorziening die is onderzocht;
c. de naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;
d. de naam en het adres van de vestiging van de GGD waar de ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd werkzaam is;
e. de aanleiding voor een onderzoek;
f. de datum van een onderzoek;
g. de wijze waarop een onderzoek is uitgevoerd; en
h. een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten.
3. Voorts bevat een inspectierapport zo nodig:
a. een opgave van de kwaliteitsvoorschriften waaraan niet of niet in voldoende mate is voldaan, waarbij wordt aangegeven welk artikel van de wet- en regelgeving het betreft, met dien verstande dat bij een onderzoek na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45 van de wet tevens wordt aangegeven welke voorschriften vooralsnog niet kunnen worden beoordeeld;
b. ingeval van afwijking van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen tevens de redenen van de houder tot afwijking daarvan; en
c. een advies aan het college van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of de betreffende voorziening voor gastouderopvang is gevestigd.
4. In de definitieve versie van het inspectierapport wordt in ieder geval de datum opgenomen waarop het rapport definitief is vastgesteld. Tegelijkertijd met het openbaar maken van het inspectierapport op grond van artikel 1.63, onder 5, van de wetdoet de toezichthouder het inspectierapport toekomen aan de oudercommissie.
2. Een inspectierapport bevat:
a. de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van het kindercentrum, het gastouderbureau, de peuterspeelzaal of de voorziening voor gastouderopvang waar een onderzoek is uitgevoerd, evenals de naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de houder;
b. de soort voorziening die is onderzocht;
c. de naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar een onderzoek heeft uitgevoerd;
d. de naam en het adres van de vestiging van de GGD waar de ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd werkzaam is;
e. de aanleiding voor een onderzoek;
f. de datum van een onderzoek;
g. de wijze waarop een onderzoek is uitgevoerd; en
h. een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten.
3. Voorts bevat een inspectierapport zo nodig:
a. een opgave van de kwaliteitsvoorschriften waaraan niet of niet in voldoende mate is voldaan, waarbij wordt aangegeven welk artikel van de wet- en regelgeving het betreft, met dien verstande dat bij een onderzoek na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45 van de wet tevens wordt aangegeven welke voorschriften vooralsnog niet kunnen worden beoordeeld;
b. ingeval van afwijking van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen tevens de redenen van de houder tot afwijking daarvan; en
c. een advies aan het college van de gemeente waar het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of de betreffende voorziening voor gastouderopvang is gevestigd.
4. In de definitieve versie van het inspectierapport wordt in ieder geval de datum opgenomen waarop het rapport definitief is vastgesteld. Tegelijkertijd met het openbaar maken van het inspectierapport op grond van artikel 1.63, onder 5, van de wetdoet de toezichthouder het inspectierapport toekomen aan de oudercommissie.