BWBR0030819
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 3
Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2012
1. Voordat de toezichthouder een onderzoek verricht als bedoeld in het derde lid stelt hij vast of sprake is van kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang of van een gastouderbureau in de zin van de wetdan wel van een peuterspeelzaal in de zin van de wet en of er een aanvraag is gedaan in de zin van de wet voor deze opvang respectievelijk dit peuterspeelzaalwerk.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum, of van gastouderopvang of van een gastouderbureau in de zin van de wet, of van een peuterspeelzaal in de zin van de wet dan informeert de toezichthouder het college.
3. De toezichthouder kan in het kader van onderzoeken op grond van artikel 1.62, eerste liden 2.20 eerste lid van de wetalle relevante feiten betrekken waaronder het niveau van naleving van wet- en regelgeving van de desbetreffende houder bij andere locaties.
2. Indien de toezichthouder oordeelt dat geen sprake is van kinderopvang in een kindercentrum, of van gastouderopvang of van een gastouderbureau in de zin van de wet, of van een peuterspeelzaal in de zin van de wet dan informeert de toezichthouder het college.
3. De toezichthouder kan in het kader van onderzoeken op grond van artikel 1.62, eerste liden 2.20 eerste lid van de wetalle relevante feiten betrekken waaronder het niveau van naleving van wet- en regelgeving van de desbetreffende houder bij andere locaties.