BWBR0030747
Geldig vanaf 2011-12-09
Artikel 11
Beleidsregels cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie
1. Onder de maatregelen voor investeringssteun wordt in elk geval verstaan:
a. de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001;
b. de Regeling groenprojecten 2005;
c. het Besluit subsidies CO2-reductieplan;
d. het Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen op grond van artikel 2.1.1 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie;
e. het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten;
f. het Subsidieprogramma Innovatieve Biobrandstoffen;
g. de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001;
h. de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001;
i. de Regeling groenprojecten 2010;
j. regionale of Europese subsidies.
2. Bij de berekening van de waarde van de investeringssteun worden de volgende rekenregels gehanteerd:
a. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt 1°. in geval van maximaal 12 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,917*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 12 (0,083*Z*X)
2°. in geval van maximaal 15 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,933*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 15 (0,067*Z*X) waarbij: NCW Y,1= de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 12; NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 15; Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
1°. in geval van maximaal 12 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,917*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 12 (0,083*Z*X)
2°. in geval van maximaal 15 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,933*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 15 (0,067*Z*X) waarbij: NCW Y,1= de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 12; NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 15; Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
b. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*W*V), waarbij: disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%; W = het meldingsbedrag EIA dat in aanmerking komt voor aftrek; V = het EIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de EIA;
c. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (X * U * T), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%; U = het meldingsbedrag MIA dat in aanmerking komt voor aftrek; T = het MIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de soort investering in het kader van de MIA;
d. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit een financiering op grond van de Regeling groenprojecten wordt forfaitair vastgesteld op de netto contante waarde per datum aanvang project van 1% van het jaarlijkse leningsbedrag waarbij wordt uitgegaan van een over een periode van 10 jaar lineair aflopend leningsbedrag;
e. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit overige investeringssteunmaatregelen bedraagt de netto contante waarde per datum aanvang project van de op grond van die maatregelen daadwerkelijk ontvangen of verrekende bedragen.
3. De minister kan bij de berekening van de cumulatietoets afwijkende waarden hanteren, indien:
a. de subsidieaanvrager deze waarden kan aantonen door middel van een accountantsverklaring. Uitgangspunt daarbij is dat de fiscale voordelen worden toegerekend aan het jaar waarin ze in de belastingaangifte zijn geclaimd;
b. er sprake is van een aantoonbare langere bouwtijd dan 1 jaar. In dat geval kunnen de uitkomsten van de rekenregels van het tweede lid, onder a tot en met c, vermenigvuldigd worden met de factor 1 / (1 + Y) (S – 12)/24, waarbij: Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; S = de bouwtijd in maanden. Hieronder wordt verstaan de tijd tussen de start van de bouw van de installatie de datum ingebruikname van de installatie.
4. De netto contante waarde van de financieringslasten verbonden aan de investering (rentevergoeding over vreemd vermogen en een billijke kapitaalvergoeding over het geïnvesteerde eigen vermogen) wordt berekend bij een gemiddeld rendement van het geïnvesteerde vermogen van 8% uitgaande van een geïnvesteerd vermogen in de installatie dat lineair afloopt over de periode waarover SDE-subsidie wordt verleend.
5. De minister kan een afwijkende waarde voor het gemiddelde rendement van het geïnvesteerde vermogen hanteren indien de producent schriftelijk aantoont dat bij de start van de financiering voor hem een andere verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen van toepassing is, waarbij als grenswaarden gelden maximaal 15% als vergoeding voor inbreng van eigen vermogen en maximaal 6% voor inbreng van het vreemd vermogen.
6. De netto investeringskosten zijn gelijk aan de investeringskosten na aftrek van de investeringssteun.
a. de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001;
b. de Regeling groenprojecten 2005;
c. het Besluit subsidies CO2-reductieplan;
d. het Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen op grond van artikel 2.1.1 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie;
e. het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten;
f. het Subsidieprogramma Innovatieve Biobrandstoffen;
g. de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001;
h. de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001;
i. de Regeling groenprojecten 2010;
j. regionale of Europese subsidies.
2. Bij de berekening van de waarde van de investeringssteun worden de volgende rekenregels gehanteerd:
a. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt 1°. in geval van maximaal 12 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,917*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 12 (0,083*Z*X)
2°. in geval van maximaal 15 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,933*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 15 (0,067*Z*X) waarbij: NCW Y,1= de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 12; NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 15; Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
1°. in geval van maximaal 12 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,917*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 12 (0,083*Z*X)
2°. in geval van maximaal 15 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,933*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 15 (0,067*Z*X) waarbij: NCW Y,1= de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 12; NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 15; Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;
b. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*W*V), waarbij: disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%; W = het meldingsbedrag EIA dat in aanmerking komt voor aftrek; V = het EIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de EIA;
c. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (X * U * T), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1; Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%; U = het meldingsbedrag MIA dat in aanmerking komt voor aftrek; T = het MIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de soort investering in het kader van de MIA;
d. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit een financiering op grond van de Regeling groenprojecten wordt forfaitair vastgesteld op de netto contante waarde per datum aanvang project van 1% van het jaarlijkse leningsbedrag waarbij wordt uitgegaan van een over een periode van 10 jaar lineair aflopend leningsbedrag;
e. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit overige investeringssteunmaatregelen bedraagt de netto contante waarde per datum aanvang project van de op grond van die maatregelen daadwerkelijk ontvangen of verrekende bedragen.
3. De minister kan bij de berekening van de cumulatietoets afwijkende waarden hanteren, indien:
a. de subsidieaanvrager deze waarden kan aantonen door middel van een accountantsverklaring. Uitgangspunt daarbij is dat de fiscale voordelen worden toegerekend aan het jaar waarin ze in de belastingaangifte zijn geclaimd;
b. er sprake is van een aantoonbare langere bouwtijd dan 1 jaar. In dat geval kunnen de uitkomsten van de rekenregels van het tweede lid, onder a tot en met c, vermenigvuldigd worden met de factor 1 / (1 + Y) (S – 12)/24, waarbij: Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13; S = de bouwtijd in maanden. Hieronder wordt verstaan de tijd tussen de start van de bouw van de installatie de datum ingebruikname van de installatie.
4. De netto contante waarde van de financieringslasten verbonden aan de investering (rentevergoeding over vreemd vermogen en een billijke kapitaalvergoeding over het geïnvesteerde eigen vermogen) wordt berekend bij een gemiddeld rendement van het geïnvesteerde vermogen van 8% uitgaande van een geïnvesteerd vermogen in de installatie dat lineair afloopt over de periode waarover SDE-subsidie wordt verleend.
5. De minister kan een afwijkende waarde voor het gemiddelde rendement van het geïnvesteerde vermogen hanteren indien de producent schriftelijk aantoont dat bij de start van de financiering voor hem een andere verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen van toepassing is, waarbij als grenswaarden gelden maximaal 15% als vergoeding voor inbreng van eigen vermogen en maximaal 6% voor inbreng van het vreemd vermogen.
6. De netto investeringskosten zijn gelijk aan de investeringskosten na aftrek van de investeringssteun.