BWBR0030288
Geldig vanaf 2024-11-26
Artikel 29
Uitvoeringsregeling zeevisserij
1. Een ondernemer heeft in enig kalenderjaar voor zijn vissersvaartuig recht op een contingent van een in bijlage 8vermelde vissoort ter grootte van het in bijlage 8 bij die vissoort vermelde percentage:
a. van de hoeveelheid waarvoor hij voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had op 31 december om 24.00 uur van het vorige kalenderjaar, voor zover hij op dat moment voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had van meer dan 0 kilogram van die vissoort; of
b. van de hoeveelheid waarvoor hij voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had op 31 december om 24.00 uur van het laatste kalenderjaar waarin die hoeveelheid groter was dan 0 kilogram, voor zover hij op 31 december om 24.00 uur van het vorige kalenderjaar voor zijn vissersvaartuig een recht op een contingent had voor een hoeveelheid van 0 kilogram van die vissoort en op dat moment voor die vissoort in bijlage 8 een percentage van 0% was opgenomen.
2. Een ondernemer heeft slechts recht op een contingent tong of schol, indien hij ook recht heeft op een contingent schol onderscheidenlijk tong.
3. Voor de bepaling van een contingent voor een kalenderjaar wordt de hoeveelheid waarmee het contingent voor het daaraan voorafgaande jaar ingevolge artikel 39is gekort, niet meegerekend.
4. De minister wijzigt het in het eerste lid genoemde percentage voor een vissoort indien ten gevolge van een bindende EU-rechtshandeling de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025, aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden van die vissoort worden verlaagd.
5. De minister kan ten behoeve van een ondernemer die zijn contingent van een vissoort nog niet heeft overschreden, het in het eerste lid genoemde percentage wijzigen indien:
a. het Nederlands quotum voor die vissoort daartoe ruimte biedt; of
b. ten gevolge van de in artikel 14 van de verordening vangstmogelijkheden genoemde bepalingen, wijziging optreedt in de voor Nederland beschikbare hoeveelheid van die vissoort.
a. van de hoeveelheid waarvoor hij voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had op 31 december om 24.00 uur van het vorige kalenderjaar, voor zover hij op dat moment voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had van meer dan 0 kilogram van die vissoort; of
b. van de hoeveelheid waarvoor hij voor dat vissersvaartuig een recht op een contingent had op 31 december om 24.00 uur van het laatste kalenderjaar waarin die hoeveelheid groter was dan 0 kilogram, voor zover hij op 31 december om 24.00 uur van het vorige kalenderjaar voor zijn vissersvaartuig een recht op een contingent had voor een hoeveelheid van 0 kilogram van die vissoort en op dat moment voor die vissoort in bijlage 8 een percentage van 0% was opgenomen.
2. Een ondernemer heeft slechts recht op een contingent tong of schol, indien hij ook recht heeft op een contingent schol onderscheidenlijk tong.
3. Voor de bepaling van een contingent voor een kalenderjaar wordt de hoeveelheid waarmee het contingent voor het daaraan voorafgaande jaar ingevolge artikel 39is gekort, niet meegerekend.
4. De minister wijzigt het in het eerste lid genoemde percentage voor een vissoort indien ten gevolge van een bindende EU-rechtshandeling de in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden of in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025, aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden van die vissoort worden verlaagd.
5. De minister kan ten behoeve van een ondernemer die zijn contingent van een vissoort nog niet heeft overschreden, het in het eerste lid genoemde percentage wijzigen indien:
a. het Nederlands quotum voor die vissoort daartoe ruimte biedt; of
b. ten gevolge van de in artikel 14 van de verordening vangstmogelijkheden genoemde bepalingen, wijziging optreedt in de voor Nederland beschikbare hoeveelheid van die vissoort.