BWBR0030069
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel VI
Wijzigingswet Wet milieubeheer, enz. (Verdere invulling van hoofdstuk 9)
1. Indien de aanvraag om een ontheffing op grond van artikel 86 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, artikel 170 van de Wet geluidhinderof artikel 10.63 van de Wet milieubeheeris ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot een zodanige beschikking in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige beschikkingen geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden.
2. Een ontheffing, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onder D, is verleend krachtens artikel 170 van de Wet geluidhinder, artikel 86 van de Wet inzake de luchtverontreinigingof artikel 10.63, vierde lid, van de Wet milieubeheermet betrekking tot het bepaalde krachtens de artikelen 10.15 tot en met 10.19 van die wetdan wel met toepassing van het eerste lid na dat tijdstip, wordt gelijkgesteld met een ontheffing verleend krachtens artikel 9.5.5 van de Wet milieubeheer.
3. Een vergunning die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onder D, is verleend krachtens artikel 3 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder, wordt gelijkgesteld met een ontheffing verleend krachtens artikel 9.5.5, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
4. Indien voor het tijdstip waarop artikel I, onder D, in werking treedt, een beschikking tot toepassing van bestuursdwang is gegeven dan wel een last onder dwangsom is opgelegd wegens overtreding van het krachtens de artikelen 2, 8, 9of 10 van de Wet geluidhinder, artikel 13 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, of de artikelen 10.15 tot en met 10.19 van de Wet milieubeheerbepaalde, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop die beschikking onherroepelijk is geworden.
5. Een aanwijzing van een instantie die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, heeft plaatsgevonden krachtens artikel 6 van de Wet geluidhinderof artikel 17 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing krachtens artikel 9.5.1, zevende lid, van de Wet milieubeheer.
2. Een ontheffing, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onder D, is verleend krachtens artikel 170 van de Wet geluidhinder, artikel 86 van de Wet inzake de luchtverontreinigingof artikel 10.63, vierde lid, van de Wet milieubeheermet betrekking tot het bepaalde krachtens de artikelen 10.15 tot en met 10.19 van die wetdan wel met toepassing van het eerste lid na dat tijdstip, wordt gelijkgesteld met een ontheffing verleend krachtens artikel 9.5.5 van de Wet milieubeheer.
3. Een vergunning die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onder D, is verleend krachtens artikel 3 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder, wordt gelijkgesteld met een ontheffing verleend krachtens artikel 9.5.5, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
4. Indien voor het tijdstip waarop artikel I, onder D, in werking treedt, een beschikking tot toepassing van bestuursdwang is gegeven dan wel een last onder dwangsom is opgelegd wegens overtreding van het krachtens de artikelen 2, 8, 9of 10 van de Wet geluidhinder, artikel 13 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, of de artikelen 10.15 tot en met 10.19 van de Wet milieubeheerbepaalde, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van een zodanige beschikking geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop die beschikking onherroepelijk is geworden.
5. Een aanwijzing van een instantie die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, heeft plaatsgevonden krachtens artikel 6 van de Wet geluidhinderof artikel 17 van de Wet inzake de luchtverontreiniging, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing krachtens artikel 9.5.1, zevende lid, van de Wet milieubeheer.