BWBR0030020
Geldig vanaf 2011-07-01
Artikel VIIIa
Wijzigingswet financiële markten 2010
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «de inwerkingtredingsdatum» verstaan: 1 november 2009.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «geldtransactie» verstaan: een geldtransactie als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3°, van de Wet inzake de geldtransactiekantorenzoals dat artikel luidde voor de inwerkingtredingsdatum.
3. Terzake van geldtransacties die zijn uitgevoerd voor de inwerkingtredingsdatum, blijft de Wet inzake de geldtransactiekantorenzoals deze luidde voor de inwerkingtredingsdatum van toepassing.
4. De rechtspersoon waaraan de Minister van Financiën ingevolge artikel 18 van de Wet inzake de geldtransactiekantorentaken en bevoegdheden heeft overgedragen kan na de inwerkingtredingsdatum tot drie jaren na de dag waarop de overtreding heeft plaatsgevonden een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift dat in verband met het uitvoeren van een geldtransactie is gesteld bij of krachtens de Wet inzake de geldtransactiekantoren.
5. Op een bestuurlijke boete of last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift in verband met het uitvoeren van een geldtransactie voor de inwerkingtredingsdatum, blijft de Wet inzake de geldtransactiekantorenvan toepassing zoals deze luidde voor die datum. Op een aanwijzing die op grond van artikel 10 van de Wet inzake de geldtransactiekantorenis gegeven in verband met het uitvoeren van een geldtransactie voor de inwerkingtredingsdatum, blijft de Wet inzake de geldtransactiekantoren van toepassing zoals deze luidde voor die datum.
6. Indien voor de inwerkingtredingsdatum voor de toepassing van de Wet inzake de geldtransactiekantorende betrouwbaarheid is vastgesteld van een persoon als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c of d, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, wordt, de betrouwbaarheid van die persoon geacht buiten twijfel te staan voor de toepassing van de Wet op het financieel toezicht, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling van de betrouwbaarheid.
7. De kosten van werkzaamheden die de toezichthouder op grond van artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezichtin rekening brengt, kunnen mede betrekking hebben op de werkzaamheden die hij heeft verricht in verband met het toezicht op de uitvoering van geldtransacties voor de inwerkingstredingsdatum door geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, voor zover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «geldtransactie» verstaan: een geldtransactie als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 3°, van de Wet inzake de geldtransactiekantorenzoals dat artikel luidde voor de inwerkingtredingsdatum.
3. Terzake van geldtransacties die zijn uitgevoerd voor de inwerkingtredingsdatum, blijft de Wet inzake de geldtransactiekantorenzoals deze luidde voor de inwerkingtredingsdatum van toepassing.
4. De rechtspersoon waaraan de Minister van Financiën ingevolge artikel 18 van de Wet inzake de geldtransactiekantorentaken en bevoegdheden heeft overgedragen kan na de inwerkingtredingsdatum tot drie jaren na de dag waarop de overtreding heeft plaatsgevonden een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift dat in verband met het uitvoeren van een geldtransactie is gesteld bij of krachtens de Wet inzake de geldtransactiekantoren.
5. Op een bestuurlijke boete of last onder dwangsom die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift in verband met het uitvoeren van een geldtransactie voor de inwerkingtredingsdatum, blijft de Wet inzake de geldtransactiekantorenvan toepassing zoals deze luidde voor die datum. Op een aanwijzing die op grond van artikel 10 van de Wet inzake de geldtransactiekantorenis gegeven in verband met het uitvoeren van een geldtransactie voor de inwerkingtredingsdatum, blijft de Wet inzake de geldtransactiekantoren van toepassing zoals deze luidde voor die datum.
6. Indien voor de inwerkingtredingsdatum voor de toepassing van de Wet inzake de geldtransactiekantorende betrouwbaarheid is vastgesteld van een persoon als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c of d, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, wordt, de betrouwbaarheid van die persoon geacht buiten twijfel te staan voor de toepassing van de Wet op het financieel toezicht, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling van de betrouwbaarheid.
7. De kosten van werkzaamheden die de toezichthouder op grond van artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezichtin rekening brengt, kunnen mede betrekking hebben op de werkzaamheden die hij heeft verricht in verband met het toezicht op de uitvoering van geldtransacties voor de inwerkingstredingsdatum door geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, voor zover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting.