1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste investeringstijdvak: de jaren 2000 tot en met 2004;
b. tweede investeringstijdvak: de jaren 2005 tot en met 2009;
c. derde investeringstijdvak: de jaren 2010 tot en met 2014.
2. Ten aanzien van investeringsbudget als bedoeld in
artikel 5, eerste respectievelijk vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, verleend voor het eerste of tweede investeringstijdvak, waarvan het bedrag op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is vastgesteld overeenkomstig
artikel 14of
15 van die wet, blijft het bij of krachtens de
Wet stedelijke vernieuwingbepaalde van toepassing.
3. Het bedrag van het voor het derde investeringstijdvak verleende investeringsbudget als bedoeld in
artikel 5, eerste respectievelijk vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, wordt vastgesteld op het in 2010 inzake dat investeringsbudget verleende voorschot, bedoeld in
artikel 12 van de Wet stedelijke vernieuwing.
4. De krachtens
artikel 6, vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwingvastgestelde provinciale verordeningen blijven van kracht met betrekking tot het derde investeringstijdvak, en berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op dit artikel.
5. Krachtens
artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwingvastgestelde ministeriële regelingen, zoals die laatstelijk luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven, behoudens intrekking voor dat tijdstip, van kracht tot de in die ministeriële regelingen bepaalde datum van intrekking, en berusten vanaf eerderbedoeld tijdstip op dit artikel.