BWBR0029685
Geldig vanaf 2011-03-05
Artikel 3
Subsidieregeling ziekenhuisopleidingen
1. De subsidie wordt op aanvraag of ambtshalve verleend.
2. De subsidie wordt ambtshalve verleend aan een instelling waaraan bij aanvang van het studiejaar een erkenning door het CZO is afgegeven voor een ziekenhuisopleiding.
3. Indien er bij aanvang van het studiejaar geen enkele erkenning door CZO is afgegeven voor een ziekenhuisopleiding van de instelling, wordt de aanvraag uiterlijk op de laatste dag van het studiejaar ontvangen.
4. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
5. Een aanvraag die na de termijn, bedoeld in het derde lid, wordt ontvangen, wordt afgewezen.
6. De aanvraag wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen.
7. Op verzoek van de minister legt de instelling over:
a. een afschrift van de oprichtingsakte van de instelling dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd;
b. de laatst opgemaakte jaarrekening dan wel de balans en de staat van kosten en opbrengsten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de instelling op het moment van de aanvraag.
8. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld.
2. De subsidie wordt ambtshalve verleend aan een instelling waaraan bij aanvang van het studiejaar een erkenning door het CZO is afgegeven voor een ziekenhuisopleiding.
3. Indien er bij aanvang van het studiejaar geen enkele erkenning door CZO is afgegeven voor een ziekenhuisopleiding van de instelling, wordt de aanvraag uiterlijk op de laatste dag van het studiejaar ontvangen.
4. Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.
5. Een aanvraag die na de termijn, bedoeld in het derde lid, wordt ontvangen, wordt afgewezen.
6. De aanvraag wordt ondertekend door een persoon die bevoegd is de instelling te vertegenwoordigen.
7. Op verzoek van de minister legt de instelling over:
a. een afschrift van de oprichtingsakte van de instelling dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd;
b. de laatst opgemaakte jaarrekening dan wel de balans en de staat van kosten en opbrengsten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de instelling op het moment van de aanvraag.
8. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen drie weken aan te vullen. De minister besluit de aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag binnen die termijn niet of niet voldoende is aangevuld.