BWBR0029565
Geldig vanaf 2011-02-12
Artikel 4
Beleidsregels voorlopige emissiefactoren Regeling ammoniak en veehouderij
1. Een voorlopig vastgestelde emissiefactor wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk drie jaar nadat deze is opgenomen in de bijlage van de Regeling ammoniak en veehouderij, vervangen door een definitieve emissiefactor.
2. In bijzondere situaties kan de minister de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met een periode van ten hoogste twee jaar verlengen, mits:
a. vaststelling van een definitieve emissiefactor op basis van meetresultaten naar zijn oordeel binnen een redelijke termijn alsnog mogelijk is; en
b. op basis van reeds beschikbare meetresultaten naar zijn oordeel kan worden verwacht, dat de definitieve emissiefactor niet hoger zal zijn dan de maximale emissiewaarde of – wanneer voor de betreffende diercategorie geen maximale emissiewaarde is vastgesteld – dan de emissiewaarde die daarvoor op grond van artikel 2, tweede lid, in de plaats treedt.
3. De minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid inkorten indien:
a. vaststelling van een definitieve emissiefactor op basis van meetresultaten naar zijn oordeel niet meer binnen een redelijke termijn mogelijk is; of
b. op basis van reeds beschikbare meetresultaten naar zijn oordeel kan worden verwacht dat de definitieve emissiefactor hoger zal zijn dan de maximale emissiewaarde of – wanneer voor de betreffende diercategorie geen maximale emissiewaarde is vastgesteld – dan de emissiewaarde die daarvoor op grond van artikel 2, tweede lid, in de plaats treedt.
2. In bijzondere situaties kan de minister de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met een periode van ten hoogste twee jaar verlengen, mits:
a. vaststelling van een definitieve emissiefactor op basis van meetresultaten naar zijn oordeel binnen een redelijke termijn alsnog mogelijk is; en
b. op basis van reeds beschikbare meetresultaten naar zijn oordeel kan worden verwacht, dat de definitieve emissiefactor niet hoger zal zijn dan de maximale emissiewaarde of – wanneer voor de betreffende diercategorie geen maximale emissiewaarde is vastgesteld – dan de emissiewaarde die daarvoor op grond van artikel 2, tweede lid, in de plaats treedt.
3. De minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid inkorten indien:
a. vaststelling van een definitieve emissiefactor op basis van meetresultaten naar zijn oordeel niet meer binnen een redelijke termijn mogelijk is; of
b. op basis van reeds beschikbare meetresultaten naar zijn oordeel kan worden verwacht dat de definitieve emissiefactor hoger zal zijn dan de maximale emissiewaarde of – wanneer voor de betreffende diercategorie geen maximale emissiewaarde is vastgesteld – dan de emissiewaarde die daarvoor op grond van artikel 2, tweede lid, in de plaats treedt.