BWBR0029363
Geldig vanaf 2011-01-01
Artikel 21
Openstellingsbesluit groen onderwijs 2011
1. De Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten met het oog op verbetering van de aansluiting tussen het door de Minister bekostigd onderwijs en het bedrijfsleven. Doel van deze activiteiten is bevordering van de instroom vanuit groen beroepsonderwijs naar de arbeidmarkt in branches binnen het beleidsterrein van de Minister, de versterking van Leven Lang Leren, het ontwikkelen van ECC-procedures en, onderscheidenlijk of, professionalisering van leerkrachten in relatie tot deze doelen. Aanvragen kunnen worden gedaan door de agrarische opleidingscentra en de hogescholen.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 500.000,–.
3. De aanvragen kunnen worden gedaan onder de volgende nadere voorwaarden:
a. het agrarisch onderwijscentrum of de hogeschool is met het oog op de aanvraag een samenwerking aangegaan met ten minste één bedrijf; bij de aanvraag wordt de getekende samenwerkingsovereenkomst gevoegd, welke tenminste het doel van de samenwerking, de verdeling van taken en verantwoordelijkheden, de organisatie van de gezamenlijke activiteiten en een begroting van kosten en baten omvat;
b. voor zover activiteiten betrekking hebben op professionalisering worden de middelen ingezet in relatie tot de op basis van artikel 3 van de regeling verstrekte aanvullende middelen;
c. de subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de begrote kosten.
2. Het subsidieplafond bedraagt € 500.000,–.
3. De aanvragen kunnen worden gedaan onder de volgende nadere voorwaarden:
a. het agrarisch onderwijscentrum of de hogeschool is met het oog op de aanvraag een samenwerking aangegaan met ten minste één bedrijf; bij de aanvraag wordt de getekende samenwerkingsovereenkomst gevoegd, welke tenminste het doel van de samenwerking, de verdeling van taken en verantwoordelijkheden, de organisatie van de gezamenlijke activiteiten en een begroting van kosten en baten omvat;
b. voor zover activiteiten betrekking hebben op professionalisering worden de middelen ingezet in relatie tot de op basis van artikel 3 van de regeling verstrekte aanvullende middelen;
c. de subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de begrote kosten.