BWBR0028743
Geldig vanaf 01-07-2025
Artikel 326
Burgerlijk Wetboek BES Boek 1
1. Kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.
2. Op deze ondertoezichtstelling zijn de artikelen 254 tot en met 263 en 265 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande nochtans dat deze ondertoezichtstelling ook door de voogd kan worden verzocht.
3. De kosten, bedoeld in artikel 264, komen ten laste van de ouders, of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn – van de minderjarige zelf.Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.
2. Op deze ondertoezichtstelling zijn de artikelen 254 tot en met 263 en 265 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande nochtans dat deze ondertoezichtstelling ook door de voogd kan worden verzocht.
3. De kosten, bedoeld in artikel 264, komen ten laste van de ouders, of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn – van de minderjarige zelf.Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.
- Citeren als
- Art. 326
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028743
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl