BWBR0028743
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 327
Burgerlijk Wetboek BES Boek 1
... 1 Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan hij een voogd ten aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen ontzetten op grond van: a. slecht levensgedrag; b. misbruik van zijn bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij; c. de omstandigheid, dat hij op een der beide voorgaande gronden van een andere voogdij – of op overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag – is ontzet; d. de omstandigheid dat hij in staat van faillissement verkeert; e. de omstandigheid dat hij in persoon, of dat zijn vader, moeder, echtgenoot of kind met de minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken is; f. onherroepelijke veroordeling: 1° wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige; 2° wegens het plegen tegen de minderjarige van een der misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht BES ; 3° tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer; g. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmering van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming; h. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen; i. de omstandigheid dat hij niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming. Gronden voor ontzetting 2 Onder misdrijf wordt in het eerste lid begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.