BWBR0028629
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 35
Arbeidsveiligheidsbesluit II BES
1. Voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden dat de arbeiders die een kraan of hijstoestel nazien of smeren, voldoende beschermd zijn.
2. Personen mogen niet door een kraan vervoerd worden.
3. Een last dient doelmatig opgehangen of ondersteund te zijn om zo min mogelijk gevaar te veroorzaken.
4. a. Wanneer los materiaal e.d. vervoerd wordt moet dat zodanig geschieden, dat het vallen van het materiaal wordt voorkomen.
b. Wanneer los materiaal of kruiwagens op een platform worden vervoerd moet het platform van opstaande kanten van voldoende hoogte zijn voorzien.
c. Materialen mogen niet zodanig gehesen of neergelaten worden, dat schokken worden veroorzaakt.
5. Wanneer een laadmast gebruikt wordt, moet deze zodanig door tuien zijn verzekerd, dat deze niet tegen de steigers slaat.
6. Staanders en oplangers van steigerwerk mogen niet als mast voor bevestiging van een draaiarm worden gebruikt.
7. Wanneer geen draaiarm, maar een katrol gebruikt wordt mag deze bevestigd zijn aan een dwarsbalk wanneer deze:
a. voldoende sterk is en bevestigd is aan tenminste twee staanders of oplangers op dezelfde wijze als voorgeschreven voor kortelingen.
b. niet tegelijkertijd dienst doet als een korteling.
2. Personen mogen niet door een kraan vervoerd worden.
3. Een last dient doelmatig opgehangen of ondersteund te zijn om zo min mogelijk gevaar te veroorzaken.
4. a. Wanneer los materiaal e.d. vervoerd wordt moet dat zodanig geschieden, dat het vallen van het materiaal wordt voorkomen.
b. Wanneer los materiaal of kruiwagens op een platform worden vervoerd moet het platform van opstaande kanten van voldoende hoogte zijn voorzien.
c. Materialen mogen niet zodanig gehesen of neergelaten worden, dat schokken worden veroorzaakt.
5. Wanneer een laadmast gebruikt wordt, moet deze zodanig door tuien zijn verzekerd, dat deze niet tegen de steigers slaat.
6. Staanders en oplangers van steigerwerk mogen niet als mast voor bevestiging van een draaiarm worden gebruikt.
7. Wanneer geen draaiarm, maar een katrol gebruikt wordt mag deze bevestigd zijn aan een dwarsbalk wanneer deze:
a. voldoende sterk is en bevestigd is aan tenminste twee staanders of oplangers op dezelfde wijze als voorgeschreven voor kortelingen.
b. niet tegelijkertijd dienst doet als een korteling.
- Citeren als
- Art. 35
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028629
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl