BWBR0028616
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 29
Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES
1. Het is de voorzitter en leden van de raad verboden:
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie gevorderd wordt;
b. de gevoelens te openbaren, welke in raadkamer over aanhangige gedingen zijn geuit;
c. over een voor hen aanhangig geding of een geding, dat, naar zij weten of vermoeden, voor hen aanhangig zal worden, zich in te laten in enig onderhoud of gesprek met partijen of hun raadslieden of van deze enige bijzondere onderrichting, memorie of schriftuur aan te nemen.
2. De onder a en b, van lid 1 omschreven verbodsbepalingen gelden ook voor de dienstdoende griffier.
a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie gevorderd wordt;
b. de gevoelens te openbaren, welke in raadkamer over aanhangige gedingen zijn geuit;
c. over een voor hen aanhangig geding of een geding, dat, naar zij weten of vermoeden, voor hen aanhangig zal worden, zich in te laten in enig onderhoud of gesprek met partijen of hun raadslieden of van deze enige bijzondere onderrichting, memorie of schriftuur aan te nemen.
2. De onder a en b, van lid 1 omschreven verbodsbepalingen gelden ook voor de dienstdoende griffier.
- Citeren als
- Art. 29
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028616
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl