BWBR0028588
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 4
Besluit bewapening en overige uitrusting politie BES
1. De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de rijkswet bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit:
a. een korte wapenstok;
b. de pepperspray en nazorgmiddelen.
2. Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in een van de rangen, bedoeld in artikel 3a, onder c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES, omvat zijn bewapening tevens het pistool. Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, op wie de eerste volzin niet van toepassing is, met het pistool is toegestaan indien Onze Minister en Onze Minister van Justitie daarvoor, onder door hen te stellen voorwaarden, toestemming hebben verleend.
3. Het verzoek voor het bewapenen met het pistool wordt gedaan door de korpsbeheerder.
a. een korte wapenstok;
b. de pepperspray en nazorgmiddelen.
2. Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in een van de rangen, bedoeld in artikel 3a, onder c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES, omvat zijn bewapening tevens het pistool. Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, op wie de eerste volzin niet van toepassing is, met het pistool is toegestaan indien Onze Minister en Onze Minister van Justitie daarvoor, onder door hen te stellen voorwaarden, toestemming hebben verleend.
3. Het verzoek voor het bewapenen met het pistool wordt gedaan door de korpsbeheerder.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028588
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl