BWBR0028364
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 14
Wet zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen BES
1. Indien het bestuur van een vennootschap weet of vermoedt dat iemand stem- of andere rechten uitoefent of tracht uit te oefenen in strijd met het bepaalde in artikel 13, is het bestuur bevoegd die persoon te schorsen in de uitoefening van bedoelde rechten, door middel van een aangetekend schrijven per luchtpost aan die persoon.
2. Indien het bestuur zulks in het belang van de vennootschap of van de aandeelhouders acht, kan het bestuur de schorsing bekend maken op de wijze als in artikel 7 omschreven.
3. Indien staande een aandeelhoudersvergadering blijkt of het vermoeden rijst dat iemand in strijd met het bepaalde in artikel 13 rechten tracht uit te oefenen, dan kan de voorzitter de vergadering voor tenminste een half uur en ten hoogste drie uur onderbreken, teneinde overleg te plegen met de betrokken persoon of personen. Indien dit overleg niet bewijs tot het tegendeel oplevert of het vermoeden wegneemt, kan de voorzitter van de vergadering de schorsing van de betrokken persoon of personen uitspreken, en de vergadering zonder hen voortzetten.
4. Indien een schorsing het gevolg is van een vermoeden, dan zal de schorsing na verloop van twee weken worden opgeheven indien het vermoeden in de tussentijd niet is omgezet in bewijs of in redelijk gegrond vermoeden.
5. Een schorsing wordt voorts terstond opgeheven wanneer het bepaalde in artikel 13 de betrokkene niet meer belet de rechten waarin hij is geschorst, uit te oefenen.
2. Indien het bestuur zulks in het belang van de vennootschap of van de aandeelhouders acht, kan het bestuur de schorsing bekend maken op de wijze als in artikel 7 omschreven.
3. Indien staande een aandeelhoudersvergadering blijkt of het vermoeden rijst dat iemand in strijd met het bepaalde in artikel 13 rechten tracht uit te oefenen, dan kan de voorzitter de vergadering voor tenminste een half uur en ten hoogste drie uur onderbreken, teneinde overleg te plegen met de betrokken persoon of personen. Indien dit overleg niet bewijs tot het tegendeel oplevert of het vermoeden wegneemt, kan de voorzitter van de vergadering de schorsing van de betrokken persoon of personen uitspreken, en de vergadering zonder hen voortzetten.
4. Indien een schorsing het gevolg is van een vermoeden, dan zal de schorsing na verloop van twee weken worden opgeheven indien het vermoeden in de tussentijd niet is omgezet in bewijs of in redelijk gegrond vermoeden.
5. Een schorsing wordt voorts terstond opgeheven wanneer het bepaalde in artikel 13 de betrokkene niet meer belet de rechten waarin hij is geschorst, uit te oefenen.
- Citeren als
- Art. 14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028364
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl