1. De kosten behorende bij de in artikel 8bedoelde vluchten ten behoeve van de Koning en echtgenoot of echtgenote, alsmede de in artikel 5, eerste lid, onder c, d en ebedoelde vluchten ten behoeve van prinses Beatrix, andere leden van het koninklijk huis indien zij de Koning vertegenwoordigen en ten behoeve van de vermoedelijke opvolger van de Koning, komen ten laste van de begroting De Koning, met uitzondering van vluchten ten behoeve van staatsbezoeken, waarvan de kosten ten laste komen van de begroting van de Minister van Buitenlandse Zaken.
2. De kosten van de in artikel 5, eerste lid, onder fbedoelde vluchten ten behoeve van leden van het koninklijk huis, behoudens de Koning en echtgenoot of echtgenote, waarvan het doel een openbaar belang dient, alsmede de in artikel 5, eerste lid, onder b bedoelde vluchten ten behoeve van de minister-president, ministers en staatssecretarissen wanneer de vlucht onderdeel is van een reis waarvan het doel een openbaar belang dient, komen indien een luchtvaartuig wordt ingehuurd op commerciële basis of gebruik wordt gemaakt van een luchtvaartuig van de krijgsmacht ten laste van de begroting van de minister die ingevolge artikel 6, vierde lid, de aanvraag voor een vlucht heeft ingediend. In gevallen waarin het regeringsvliegtuig wordt ingezet, komen de kosten daarvan ten laste van de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, met uitzondering van die vluchten waarvoor de aanvraag door het ministerie van Defensie is ingediend.