BWBR0027709
Geldig vanaf 2010-06-09
Artikel 6
Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie
1. De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 8 van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie, bedraagt per kalendermaand:
a. indien de werknemer gehuwd is: A – B – C;
b. indien de werknemer een alleenstaande ouder is: 0,875 * (A – B) – C;
c. indien de werknemer een alleenstaande is: 0,625 * (A – B) – C;
waarbij:
A staat voor het bedrag, bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand,
B staat voor de inkomsten in de desbetreffende kalendermaand uit de dienstbetrekking waarop artikel 7 van de Tijdelijke wet pilot loondispensatievan toepassing is, en
C staat voor het overige inkomen in de desbetreffende kalendermaand.
2. Bij de vaststelling van factor B zijn artikel 31, derde en vierde lid, van de Wet werk en bijstanden de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001, buiten toepassing wordt gelaten.
3. Bij de vaststelling van factor C zijn paragraaf 3.4en de daarop berustende bepalingen en artikel 58, derde lid, van de Wet werk en bijstandvan overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gehuwde, alleenstaande en alleenstaande ouder verstaan gehuwde, alleenstaande en alleenstaande ouder als bedoeld in de artikelen 3en 4 van de Wet Werk en Bijstand.
5. Artikel 19, derde en vierde lid, van de Wet werk en bijstandis van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering.
a. indien de werknemer gehuwd is: A – B – C;
b. indien de werknemer een alleenstaande ouder is: 0,875 * (A – B) – C;
c. indien de werknemer een alleenstaande is: 0,625 * (A – B) – C;
waarbij:
A staat voor het bedrag, bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand,
B staat voor de inkomsten in de desbetreffende kalendermaand uit de dienstbetrekking waarop artikel 7 van de Tijdelijke wet pilot loondispensatievan toepassing is, en
C staat voor het overige inkomen in de desbetreffende kalendermaand.
2. Bij de vaststelling van factor B zijn artikel 31, derde en vierde lid, van de Wet werk en bijstanden de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001, buiten toepassing wordt gelaten.
3. Bij de vaststelling van factor C zijn paragraaf 3.4en de daarop berustende bepalingen en artikel 58, derde lid, van de Wet werk en bijstandvan overeenkomstige toepassing.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gehuwde, alleenstaande en alleenstaande ouder verstaan gehuwde, alleenstaande en alleenstaande ouder als bedoeld in de artikelen 3en 4 van de Wet Werk en Bijstand.
5. Artikel 19, derde en vierde lid, van de Wet werk en bijstandis van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering.