BWBR0027668
Geldig vanaf 2010-05-26
Artikel 6
Regeling formalisering bijlagen, verschillende berekeningswijzen en percentages in het Kaderbesluit rechtspositie PO
1. Betrokkene heeft aanspraak op een eindejaarsuitkering indien hij is benoemd volgens een der functieschalen 1 tot en met 5 dan wel 6 tot en met 8 zoals vermeld in bijlage 1, categorie 4, bij het Kaderbesluit rechtspositie PO. Bij een volledige betrekking heeft hij aanspraak op een bedrag zoals vermeld in bijlage 3van deze regeling. Het daar vermelde jaarbedrag bestaat uit 12 gelijke maandbedragen.
2. De betrokkene bedoeld in voorgaand lid heeft voor elke kalendermaand van het desbetreffende kalenderjaar waarin hij in de desbetreffende functies werkzaam is geweest en salaris heeft genoten per functie aanspraak op een bedrag dat wordt berekend door de toe te passen bedragen bij normbetrekking te vermenigvuldigen met het bedrag van het door betrokkene in die maand genoten salaris en te delen door het salaris bij normbetrekking behorende bij de desbetreffende functies.
3. De uitkering wordt vastgesteld op de som van de volgens het tweede lid berekende bedragen en wordt rekenkundig afgerond op centen.
4. De uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.
5. In afwijking van het vierde lid vindt bij ontslag de uitbetaling plaats over het tijdvak waar betrokkene in het betreffende jaar kalenderjaar voor benoemd is geweest.
6. De in dit artikel bedoelde uitkering maakt deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
2. De betrokkene bedoeld in voorgaand lid heeft voor elke kalendermaand van het desbetreffende kalenderjaar waarin hij in de desbetreffende functies werkzaam is geweest en salaris heeft genoten per functie aanspraak op een bedrag dat wordt berekend door de toe te passen bedragen bij normbetrekking te vermenigvuldigen met het bedrag van het door betrokkene in die maand genoten salaris en te delen door het salaris bij normbetrekking behorende bij de desbetreffende functies.
3. De uitkering wordt vastgesteld op de som van de volgens het tweede lid berekende bedragen en wordt rekenkundig afgerond op centen.
4. De uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.
5. In afwijking van het vierde lid vindt bij ontslag de uitbetaling plaats over het tijdvak waar betrokkene in het betreffende jaar kalenderjaar voor benoemd is geweest.
6. De in dit artikel bedoelde uitkering maakt deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.