BWBR0027266
Geldig vanaf 2010-03-01
Artikel 3
Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorie AM
1. Tijdens het praktijkexamen voor de categorie AM, bromfietsen op twee wielen, dient de aanvrager blijk te geven in staat te zijn om in verkeerssituaties op veilige wijze:
a. de kant van de weg of de parkeerruimte te verlaten en weg te rijden na een stop in het verkeer;
b. op het juiste weggedeelte en met aanpassing van de snelheid aan de weg- en verkeersomstandigheden aan het verkeer deel te nemen;
c. te rijden op rechte weggedeelten;
d. bochten te rijden;
e. van rijstrook te veranderen en andere zijdelingse verplaatsingen uit te voeren, alsmede het oprijden en verlaten van het fiets/bromfietspad;
f. andere weggebruikers in te halen, alsook obstakels voorbij te rijden;
g. juist te handelen ten opzichte van tegenliggers, ook bij wegversmallingen;
h. door overige weggebruikers tegemoet gekomen en ingehaald worden;
i. een overweg te naderen en veilig over te steken;
j. te rijden nabij en op bijzondere weggedeelten, zoals erven, in- en uitritten, voetgangersoversteekplaatsen, tram- en bushaltes;
k. een kruispunt te naderen en over te steken;
l. rechts of links af te slaan op kruispunten.
2. De aanvrager dient tijdens het praktijkexamen blijk te geven inzicht te hebben ten aanzien van de in het eerste lid genoemde handelingen en manoeuvres door middel van:
a. het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b. het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c. het adequaat reageren in gevaarlijke situaties en op onjuist gedrag van derden;
d. het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van bevoegde personen;
e. het permanent rekening houden met (mogelijke) andere weggebruikers, in het bijzonder kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d.;
f. rekening houden met weg- en weersomstandigheden;
g. het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h. het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan en stoppen, en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i. het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige weggebruikers;
j. het rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.
a. de kant van de weg of de parkeerruimte te verlaten en weg te rijden na een stop in het verkeer;
b. op het juiste weggedeelte en met aanpassing van de snelheid aan de weg- en verkeersomstandigheden aan het verkeer deel te nemen;
c. te rijden op rechte weggedeelten;
d. bochten te rijden;
e. van rijstrook te veranderen en andere zijdelingse verplaatsingen uit te voeren, alsmede het oprijden en verlaten van het fiets/bromfietspad;
f. andere weggebruikers in te halen, alsook obstakels voorbij te rijden;
g. juist te handelen ten opzichte van tegenliggers, ook bij wegversmallingen;
h. door overige weggebruikers tegemoet gekomen en ingehaald worden;
i. een overweg te naderen en veilig over te steken;
j. te rijden nabij en op bijzondere weggedeelten, zoals erven, in- en uitritten, voetgangersoversteekplaatsen, tram- en bushaltes;
k. een kruispunt te naderen en over te steken;
l. rechts of links af te slaan op kruispunten.
2. De aanvrager dient tijdens het praktijkexamen blijk te geven inzicht te hebben ten aanzien van de in het eerste lid genoemde handelingen en manoeuvres door middel van:
a. het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b. het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c. het adequaat reageren in gevaarlijke situaties en op onjuist gedrag van derden;
d. het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van bevoegde personen;
e. het permanent rekening houden met (mogelijke) andere weggebruikers, in het bijzonder kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d.;
f. rekening houden met weg- en weersomstandigheden;
g. het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h. het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan en stoppen, en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i. het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige weggebruikers;
j. het rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.