BWBR0026900
Geldig vanaf 2009-12-21
Artikel 3
Beleidsregels Toelating en gebruik C2000 door derden
1. Aangewezen gebruikers en bijzondere gebruikers houden zich aan het beveiligingsbeleid C2000 en het Landelijk Kader Fleetmap;
2. Een aangewezen gebruiker ziet erop toe dat aan hem (tijdelijk) gelieerde organisaties zich houden aan het beveiligingsbeleid C2000 en passen binnen de kaders en richtlijnen van het Landelijk Kader Fleetmap.
3. Een aangewezen gebruiker draagt er zorg voor dat medewerkers van aan hem gelieerde gebruikers voldoende zijn opgeleid en getraind in het gebruik van C2000.
4. Een bijzondere gebruiker draagt er zorg voor dat de eigen medewerkers voldoende zijn opgeleid en getraind in het gebruik van C2000.
5. Een aangewezen gebruiker bepaalt van welke functies en welke gespreksgroepen de gelieerde gebruik mag maken ter ondersteuning van de werkprocessen van de aangewezen gebruiker.
6. De strategisch beheerder bepaalt -gehoord het advies van het adviesorgaan C2000 van welke functies en welke gespreksgroepen de bijzondere gebruiker gebruik mag maken ten behoeve van de communicatie met de aangewezen gebruikers.
7. Alle lokale beheeractiviteiten ten behoeve van (tijdelijk) gelieerden worden door een aangewezen gebruiker uitgevoerd. De afspraken over het beheer worden vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 2 lid 6. Onder lokale beheeractiviteiten wordt minimaal verstaan:
• de uitgifte en vervanging van randapparatuur;
• programmering van de randapparatuur en accessoires;
• zorgdragen voor inpassing van de fleetmap van de gelieerde organisatie binnen de fleetmap van de aangewezen gebruiker;
• het beheer en onderhoud van de randapparatuur en accessoires;
• melding van gestolen en vermiste randapparaten van de gelieerde bij de tactisch en operationeel beheerder van het netwerk.
8. De bijzondere gebruiker is verantwoordelijk voor de volgende beheeractiviteiten:
• de uitgifte en vervanging van de randapparatuur;
• programmering van de randapparatuur en accessoires met uitzondering van het tweedelijns onderhoud dat, inclusief het cryptobeheer, door de tactisch en operationeel beheerder wordt uitgevoerd;
• het beheer en het eerste- en derdelijns onderhoud van de randapparatuur en accessoires;
• melding van gestolen en vermiste randapparaten bij de tactisch en operationeel beheerder van het netwerk.
2. Een aangewezen gebruiker ziet erop toe dat aan hem (tijdelijk) gelieerde organisaties zich houden aan het beveiligingsbeleid C2000 en passen binnen de kaders en richtlijnen van het Landelijk Kader Fleetmap.
3. Een aangewezen gebruiker draagt er zorg voor dat medewerkers van aan hem gelieerde gebruikers voldoende zijn opgeleid en getraind in het gebruik van C2000.
4. Een bijzondere gebruiker draagt er zorg voor dat de eigen medewerkers voldoende zijn opgeleid en getraind in het gebruik van C2000.
5. Een aangewezen gebruiker bepaalt van welke functies en welke gespreksgroepen de gelieerde gebruik mag maken ter ondersteuning van de werkprocessen van de aangewezen gebruiker.
6. De strategisch beheerder bepaalt -gehoord het advies van het adviesorgaan C2000 van welke functies en welke gespreksgroepen de bijzondere gebruiker gebruik mag maken ten behoeve van de communicatie met de aangewezen gebruikers.
7. Alle lokale beheeractiviteiten ten behoeve van (tijdelijk) gelieerden worden door een aangewezen gebruiker uitgevoerd. De afspraken over het beheer worden vastgelegd in de dienstverleningsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 2 lid 6. Onder lokale beheeractiviteiten wordt minimaal verstaan:
• de uitgifte en vervanging van randapparatuur;
• programmering van de randapparatuur en accessoires;
• zorgdragen voor inpassing van de fleetmap van de gelieerde organisatie binnen de fleetmap van de aangewezen gebruiker;
• het beheer en onderhoud van de randapparatuur en accessoires;
• melding van gestolen en vermiste randapparaten van de gelieerde bij de tactisch en operationeel beheerder van het netwerk.
8. De bijzondere gebruiker is verantwoordelijk voor de volgende beheeractiviteiten:
• de uitgifte en vervanging van de randapparatuur;
• programmering van de randapparatuur en accessoires met uitzondering van het tweedelijns onderhoud dat, inclusief het cryptobeheer, door de tactisch en operationeel beheerder wordt uitgevoerd;
• het beheer en het eerste- en derdelijns onderhoud van de randapparatuur en accessoires;
• melding van gestolen en vermiste randapparaten bij de tactisch en operationeel beheerder van het netwerk.