BWBR0026773
Geldig vanaf 2010-12-23
Artikel 4
Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
1. Onder overig inkomen als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, wordt verstaan:
a. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met c;
b. een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
d. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
f. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
g. een uitkering op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet, tenzij artikel 2, onderdeel f, van toepassing is;
h. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met g;
i. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2004 of op grond van een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
j. een uitkering als bedoeld in onderdeel h, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan;
k. loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.
2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als overig inkomen beschouwd:
a. het bedrag waarmee de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is verhoogd wegens hulpbehoevendheid op grond van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 53 of 63 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een combinatie van deze artikelen;
b. een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald en
c. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
3. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd in verband met enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze niet geheel of gedeeltelijk geweigerd.
a. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met c;
b. een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
d. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
f. een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
g. een uitkering op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet, tenzij artikel 2, onderdeel f, van toepassing is;
h. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met g;
i. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2004 of op grond van een regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
j. een uitkering als bedoeld in onderdeel h, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan;
k. loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.
2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als overig inkomen beschouwd:
a. het bedrag waarmee de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is verhoogd wegens hulpbehoevendheid op grond van artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 53 of 63 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een combinatie van deze artikelen;
b. een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald en
c. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden.
3. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd in verband met enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze niet geheel of gedeeltelijk geweigerd.