BWBR0026773
Geldig vanaf 2010-12-23
Artikel 3
Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
1. Gedurende de periode dat de werknemer recht heeft op:
a. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
b. een uitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet;
c. een uitkering in verband met werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, of met verlof is, wordt tevens als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin: 1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
2°. het verlof aanving.
1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
2°. het verlof aanving.
2. Niet als inkomen wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomen als bedoeld in het eerste lid geniet.
a. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
b. een uitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Werkloosheidswet;
c. een uitkering in verband met werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, of met verlof is, wordt tevens als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin: 1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
2°. het verlof aanving.
1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
2°. het verlof aanving.
2. Niet als inkomen wordt beschouwd het loon dat door de werknemer wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomen als bedoeld in het eerste lid geniet.