BWBR0026257
Geldig vanaf 2009-09-01
Artikel 1.6
Regeling Wet bescherming persoonsgegevens ministerie van Defensie
1. Er is een functionaris voor de gegevensbescherming.
2. De functionaris voor de gegevensbescherming heeft, naast het houden van toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door de verantwoordelijke overeenkomstig het bij of krachtens de wetbepaalde, in ieder geval tot taak:
a. het jaarlijks rapporteren aan de minister over de naleving van de wet binnen het ministerie;
b. het bijhouden van een voor een ieder kosteloos raadpleegbaar meldingenregister;
c. het begeleiden en verzorgen van contacten tussen het ministerie en het college;
d. het, voortvloeiende uit het toezicht, adviseren van de minister en van de beheerders over de toepassing en uitvoering van de wet;
e. het geven van voorlichting over de wet, over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer alsmede over de wijze waarop toezicht wordt gehouden;
f. het minstens jaarlijks organiseren van een Wbp-coördinatorenoverleg;
g. het toezien op de afwikkeling van klachten en het evalueren van incidenten terzake van het verwerken van persoonsgegevens binnen Defensie.
3. De functionaris voor de gegevensbescherming beschikt voor de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de wetover de bevoegdheden als bedoeld in Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. De functionaris voor de gegevensbescherming maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
4. Een ieder die werkzaam is onder het gezag van de minister alsmede een bewerker of eenieder die onder het gezag van een bewerker persoonsgegevens verwerkt, is verplicht aan de functionaris voor de gegevensbescherming alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, tenzij een geheimhoudingsplicht uit hoofde van een wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.
2. De functionaris voor de gegevensbescherming heeft, naast het houden van toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door de verantwoordelijke overeenkomstig het bij of krachtens de wetbepaalde, in ieder geval tot taak:
a. het jaarlijks rapporteren aan de minister over de naleving van de wet binnen het ministerie;
b. het bijhouden van een voor een ieder kosteloos raadpleegbaar meldingenregister;
c. het begeleiden en verzorgen van contacten tussen het ministerie en het college;
d. het, voortvloeiende uit het toezicht, adviseren van de minister en van de beheerders over de toepassing en uitvoering van de wet;
e. het geven van voorlichting over de wet, over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer alsmede over de wijze waarop toezicht wordt gehouden;
f. het minstens jaarlijks organiseren van een Wbp-coördinatorenoverleg;
g. het toezien op de afwikkeling van klachten en het evalueren van incidenten terzake van het verwerken van persoonsgegevens binnen Defensie.
3. De functionaris voor de gegevensbescherming beschikt voor de uitoefening van het toezicht als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de wetover de bevoegdheden als bedoeld in Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. De functionaris voor de gegevensbescherming maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
4. Een ieder die werkzaam is onder het gezag van de minister alsmede een bewerker of eenieder die onder het gezag van een bewerker persoonsgegevens verwerkt, is verplicht aan de functionaris voor de gegevensbescherming alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, tenzij een geheimhoudingsplicht uit hoofde van een wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.