BWBR0026090
Geldig vanaf 2009-07-15
Artikel 19
Subsidieregeling zorginnovatie
1. In afwijking van artikel 11, eerste lid, eerste zin, van de Subsidieregeling VWS-subsidiesbedraagt de projectsubsidie, bedoeld in artikel 17, ten hoogste:
a. 50 procent van het verschil tussen de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdelen a en c, en de opbrengsten, doch ten hoogste € 45.000, en
b. 100 procent van het verschil tussen de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, en de opbrengsten, doch ten hoogste € 6.500.
2. Het in het eerste lid eerstgenoemde subsidiepercentage wordt verlaagd:
a. indien minder dan 60 procent van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende verschil tussen de subsidiabele kosten en de opbrengsten is gemaakt bij personen of rechtspersonen, die niet met de deelnemer in een groep verbonden zijn dan wel, voor zover betrekking hebbend op collectieve activiteiten, geen ZIPC-deelnemer zijn met wie die collectieve activiteiten gezamenlijk worden uitgevoerd noch met die deelnemer in een groep verbonden zijn;
b. indien bij de vaststelling van de projectsubsidie blijkt dat het percentage subsidiabele kosten voor collectieve activiteiten minder bedraagt dan 20 procent van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende verschil tussen de subsidiabele kosten en de opbrengsten.
3. Het subsidiepercentage wordt in de in het tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde gevallen met hetzelfde aantal procenten verlaagd als het aantal procentpunten bedraagt dat zich bevindt tussen het bij de vaststelling van de subsidie gebleken percentage en het percentage van 60 onderscheidenlijk 20.
4. Indien de ZIPC-deelnemer collectieve activiteiten uitvoert in samenwerking met een gemeente of een provincie, wordt het maximum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd tot € 50.000.
5. De minister stelt het bedrag van de projectsubsidie, bedoeld in artikel 17, vast op ten hoogste het bedrag dat is verleend.
a. 50 procent van het verschil tussen de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdelen a en c, en de opbrengsten, doch ten hoogste € 45.000, en
b. 100 procent van het verschil tussen de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, en de opbrengsten, doch ten hoogste € 6.500.
2. Het in het eerste lid eerstgenoemde subsidiepercentage wordt verlaagd:
a. indien minder dan 60 procent van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende verschil tussen de subsidiabele kosten en de opbrengsten is gemaakt bij personen of rechtspersonen, die niet met de deelnemer in een groep verbonden zijn dan wel, voor zover betrekking hebbend op collectieve activiteiten, geen ZIPC-deelnemer zijn met wie die collectieve activiteiten gezamenlijk worden uitgevoerd noch met die deelnemer in een groep verbonden zijn;
b. indien bij de vaststelling van de projectsubsidie blijkt dat het percentage subsidiabele kosten voor collectieve activiteiten minder bedraagt dan 20 procent van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende verschil tussen de subsidiabele kosten en de opbrengsten.
3. Het subsidiepercentage wordt in de in het tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde gevallen met hetzelfde aantal procenten verlaagd als het aantal procentpunten bedraagt dat zich bevindt tussen het bij de vaststelling van de subsidie gebleken percentage en het percentage van 60 onderscheidenlijk 20.
4. Indien de ZIPC-deelnemer collectieve activiteiten uitvoert in samenwerking met een gemeente of een provincie, wordt het maximum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd tot € 50.000.
5. De minister stelt het bedrag van de projectsubsidie, bedoeld in artikel 17, vast op ten hoogste het bedrag dat is verleend.