BWBR0026019
Geldig vanaf 2009-07-01
Artikel 7
Instellingsbesluit Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs
1. De commissie kan ter voorbereiding op de totstandkoming van een advies nadere informatie vragen aan de aanvrager of, indien de aanvraag onvolledig is, de aanvrager de gelegenheid bieden binnen een door de commissie vast te stellen termijn, de aanvraag aan te vullen.
2. Indien in geval van besluitvorming over aanvragen de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
3. De commissie brengt binnen een termijn van 6 weken na indiening van de aanvraag advies uit aan de minister.
4. Indien de commissie niet binnen de in het vorig lid genoemde termijn een advies kan uitbrengen, stelt de voorzitter van de commissie de minister daarvan in kennis en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het advies tegemoet gezien kan worden.
5. De voorzitter van de commissie is gemachtigd om namens de minister toepassing te geven aan artikel 4.14 van de Algemene wet bestuursrechtwaar het besluitvorming door de minister betreft.
6. De commissie benoemt uit haar midden een vice-voorzitter die bij afwezigheid van de voorzitter in diens rechten treedt.
7. De voorzitter kan in voorkomende gevallen expertise van derden inroepen, voor zover dat valt binnen het daarvoor door de minister goedgekeurde begrote bedrag. Indien dit bedrag ontoereikend is, dient voorafgaand aan het inroepen van derden, toestemming van de minister verkregen te worden.
8. De commissie doet verslag van haar werkzaamheden aan de minister in een jaarlijks te publiceren verslag.
9. De commissie pleegt twee maal per jaar overleg met de minister over de praktijk van de beoordeling van de mutaties met betrekking tot macrodoelmatigheid en de ontwikkelingen die zich hierin voordoen.
2. Indien in geval van besluitvorming over aanvragen de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
3. De commissie brengt binnen een termijn van 6 weken na indiening van de aanvraag advies uit aan de minister.
4. Indien de commissie niet binnen de in het vorig lid genoemde termijn een advies kan uitbrengen, stelt de voorzitter van de commissie de minister daarvan in kennis en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het advies tegemoet gezien kan worden.
5. De voorzitter van de commissie is gemachtigd om namens de minister toepassing te geven aan artikel 4.14 van de Algemene wet bestuursrechtwaar het besluitvorming door de minister betreft.
6. De commissie benoemt uit haar midden een vice-voorzitter die bij afwezigheid van de voorzitter in diens rechten treedt.
7. De voorzitter kan in voorkomende gevallen expertise van derden inroepen, voor zover dat valt binnen het daarvoor door de minister goedgekeurde begrote bedrag. Indien dit bedrag ontoereikend is, dient voorafgaand aan het inroepen van derden, toestemming van de minister verkregen te worden.
8. De commissie doet verslag van haar werkzaamheden aan de minister in een jaarlijks te publiceren verslag.
9. De commissie pleegt twee maal per jaar overleg met de minister over de praktijk van de beoordeling van de mutaties met betrekking tot macrodoelmatigheid en de ontwikkelingen die zich hierin voordoen.