BWBR0025998
Geldig vanaf 2009-08-01
Artikel 5.1
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2009
1. Het voornemen van het instellingsbestuur om een in het Croho opgenomen opleiding, of een gedeelte daarvan, ook in één of meer andere gemeenten te vestigen wordt beoordeeld als ware er sprake van een nieuwe opleiding. Daarmee wordt ingestemd, indien wordt voldaan aan de in artikel 4.1, eerste lid, respectievelijk artikel 4.2, eerste lid, genoemde voorwaarden.
2. Het instellingsbestuur legt aan de Minister het voornemen een nieuwe vestigingsplaats te kiezen voor als het gaat om de navolgende gedeelten van een opleiding:
a. de propedeutische fase;
b. een afstudeerrichting;
c. van een hbo-bacheloropleiding of een wo-bacheloropleiding: het gedeelte van de opleiding dat meer dan een derde van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
d. van een hbo-masteropleiding en een wo-masteropleiding: het gedeelte van de opleiding dat meer dan een derde of meer dan 30 studiepunten van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
e. van een Associate-degreeprogramma: het gedeelte van het programma dat meer dan een derde van de gehele studielast, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat.
f. van een duale opleiding of van een duaal Associate-degreeprogramma: het gedeelte van de opleiding c.q. het Asscciate-degreeprogramma dat meer dan een derde van de opleiding c.q. het Associate-degreeprogramma omvat. Dit laat onverlet dat, indien het beroepsuitoefeningsdeel van een duale opleiding of een duaal Associate-degreeprogramma door een student op individuele basis in een nieuwe vestigingsplaats wordt doorlopen, genoemde norm niet op dit beroepsuitoefeningsdeel ziet.
3. Het instellingsbestuur legt ten aanzien van opleidingen die op basis van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholenworden gesubsidieerd aan de Minister het voornemen een nieuwe vestigingsplaats te kiezen voor als er sprake is van een situatie waarbij meer dan 50% van het curriculum in de praktijk wordt gevolgd.
4. Indien een instelling ingevolge artikel 3.2 van de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs van 21 juni 2006ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit
– een groter gedeelte van een opleiding in een andere gemeente dan de vestigingsplaats van de opleiding verzorgt dan het gedeelte waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede of derde lid, geen instemming van de minister nodig is, of
– al voorbereidingen heeft getroffen om voor het studiejaar 2009–2010 een groter gedeelte van een opleiding in een andere gemeente dan de vestigingsplaats van de opleiding te verzorgen dan het gedeelte waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede of derde lid, geen instemming van de minister nodig is en studenten zijn ingeschreven onder de verwachting dit grotere deel in de andere gemeente te zullen volgen,
dan beëindigt het instellingsbestuur met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid het verzorgen van het opleidingsdeel in de desbetreffende vestigingsplaats voor zover het de norm van artikel 5.1, tweede lid, overtreft, of hij dient daartoe alsnog een voornemen als bedoeld in het tweede lid in.
5. Tot beëindiging ingevolge het vierde lid of als gevolg van een afwijzende beslissing van de minister op een voornemen, bedoeld in het vierde lid, wordt niet overgegaan dan nadat de studenten die dat opleidingsdeel in de desbetreffende gemeente volgen dat opleidingsdeel ter plaatse binnen een redelijke termijn kunnen voltooien. Onder redelijke termijn wordt ten hoogste verstaan de voor die studenten resterende aan de studielast gerelateerde duur, vermeerderd met één jaar.
6. Aan het opleidingsgedeelte in de andere vestigingsplaats dat wordt beëindigd, wordt vanaf het studiejaar 2010–2011 geen onderwijs aan nieuwe studenten meer verzorgd.
7. Indien een opleiding wordt verzorgd in twee of meer opleidingsvormen voltijd, deeltijd of duaal, als bedoeld in artikel 7.7 van de wet, wordt iedere opleidingsvorm voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een zelfstandige opleiding.
8. Artikel 4.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het instellingsbestuur legt aan de Minister het voornemen een nieuwe vestigingsplaats te kiezen voor als het gaat om de navolgende gedeelten van een opleiding:
a. de propedeutische fase;
b. een afstudeerrichting;
c. van een hbo-bacheloropleiding of een wo-bacheloropleiding: het gedeelte van de opleiding dat meer dan een derde van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
d. van een hbo-masteropleiding en een wo-masteropleiding: het gedeelte van de opleiding dat meer dan een derde of meer dan 30 studiepunten van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
e. van een Associate-degreeprogramma: het gedeelte van het programma dat meer dan een derde van de gehele studielast, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat.
f. van een duale opleiding of van een duaal Associate-degreeprogramma: het gedeelte van de opleiding c.q. het Asscciate-degreeprogramma dat meer dan een derde van de opleiding c.q. het Associate-degreeprogramma omvat. Dit laat onverlet dat, indien het beroepsuitoefeningsdeel van een duale opleiding of een duaal Associate-degreeprogramma door een student op individuele basis in een nieuwe vestigingsplaats wordt doorlopen, genoemde norm niet op dit beroepsuitoefeningsdeel ziet.
3. Het instellingsbestuur legt ten aanzien van opleidingen die op basis van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholenworden gesubsidieerd aan de Minister het voornemen een nieuwe vestigingsplaats te kiezen voor als er sprake is van een situatie waarbij meer dan 50% van het curriculum in de praktijk wordt gevolgd.
4. Indien een instelling ingevolge artikel 3.2 van de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs van 21 juni 2006ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit
– een groter gedeelte van een opleiding in een andere gemeente dan de vestigingsplaats van de opleiding verzorgt dan het gedeelte waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede of derde lid, geen instemming van de minister nodig is, of
– al voorbereidingen heeft getroffen om voor het studiejaar 2009–2010 een groter gedeelte van een opleiding in een andere gemeente dan de vestigingsplaats van de opleiding te verzorgen dan het gedeelte waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede of derde lid, geen instemming van de minister nodig is en studenten zijn ingeschreven onder de verwachting dit grotere deel in de andere gemeente te zullen volgen,
dan beëindigt het instellingsbestuur met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid het verzorgen van het opleidingsdeel in de desbetreffende vestigingsplaats voor zover het de norm van artikel 5.1, tweede lid, overtreft, of hij dient daartoe alsnog een voornemen als bedoeld in het tweede lid in.
5. Tot beëindiging ingevolge het vierde lid of als gevolg van een afwijzende beslissing van de minister op een voornemen, bedoeld in het vierde lid, wordt niet overgegaan dan nadat de studenten die dat opleidingsdeel in de desbetreffende gemeente volgen dat opleidingsdeel ter plaatse binnen een redelijke termijn kunnen voltooien. Onder redelijke termijn wordt ten hoogste verstaan de voor die studenten resterende aan de studielast gerelateerde duur, vermeerderd met één jaar.
6. Aan het opleidingsgedeelte in de andere vestigingsplaats dat wordt beëindigd, wordt vanaf het studiejaar 2010–2011 geen onderwijs aan nieuwe studenten meer verzorgd.
7. Indien een opleiding wordt verzorgd in twee of meer opleidingsvormen voltijd, deeltijd of duaal, als bedoeld in artikel 7.7 van de wet, wordt iedere opleidingsvorm voor de toepassing van dit artikel beschouwd als een zelfstandige opleiding.
8. Artikel 4.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.