BWBR0025800
Geldig vanaf 2009-05-15
Artikel 10
Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten
1. Een ontoelaatbare belemmering als bedoeld in artikel 8wordt veroorzaakt door de vergunninghouder die:
a. eigenstandig een piekwaarde van de elektrische veldsterkte of spanning veroorzaakt die hoger is dan de desbetreffende waarde in artikel 6, tenzij de door hem veroorzaakte elektrische veldsterkte of spanning geen aantoonbare bijdrage levert aan een storing, of
b. op het tijdstip van eerste ingebruikname van zijn radiozendapparaat de cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte of de spanning verhoogt tot boven de desbetreffende waarde in artikel 6 dan wel verder verhoogt boven de desbetreffende waarde in artikel 6.
2. In afwijking van het eerste lid, veroorzaakt een vergunninghouder geen ontoelaatbare belemmering indien het uitgestraalde vermogen van zijn radiozendapparaat 17 Watt e.i.r.p. of minder bedraagt.
3. Het eerste en tweede lid gelden niet indien de ontoelaatbare belemmering mede wordt veroorzaakt door:
a. een radiozendapparaat voor het gebruik waarvan geen vergunning is vereist krachtens artikel 3.4, eerste lid, onderdelen a of c, van de wet, of
b. een radiozendapparaat dat bestemd is om te worden verplaatst en te worden gebruikt op een verscheidenheid aan locaties, en het staken van het gebruik van dat radiozendapparaat tot gevolg heeft dat de ontoelaatbare belemmering wordt beëindigd.
a. eigenstandig een piekwaarde van de elektrische veldsterkte of spanning veroorzaakt die hoger is dan de desbetreffende waarde in artikel 6, tenzij de door hem veroorzaakte elektrische veldsterkte of spanning geen aantoonbare bijdrage levert aan een storing, of
b. op het tijdstip van eerste ingebruikname van zijn radiozendapparaat de cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte of de spanning verhoogt tot boven de desbetreffende waarde in artikel 6 dan wel verder verhoogt boven de desbetreffende waarde in artikel 6.
2. In afwijking van het eerste lid, veroorzaakt een vergunninghouder geen ontoelaatbare belemmering indien het uitgestraalde vermogen van zijn radiozendapparaat 17 Watt e.i.r.p. of minder bedraagt.
3. Het eerste en tweede lid gelden niet indien de ontoelaatbare belemmering mede wordt veroorzaakt door:
a. een radiozendapparaat voor het gebruik waarvan geen vergunning is vereist krachtens artikel 3.4, eerste lid, onderdelen a of c, van de wet, of
b. een radiozendapparaat dat bestemd is om te worden verplaatst en te worden gebruikt op een verscheidenheid aan locaties, en het staken van het gebruik van dat radiozendapparaat tot gevolg heeft dat de ontoelaatbare belemmering wordt beëindigd.