BWBR0025698
Geldig vanaf 2009-04-16
Artikel 3
Besluit mandaat en machtiging handhaving Inspectoraat-Generaal VROM 2009
1. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de directeuren-inspecteur.
2. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de directeur Kernfysische dienst en zijn plaatsvervanger, voorzover deze bevoegdheid betrekking heeft op de handhaving van de Kernenergiewet.
3. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, derde lid, aan de directeur VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst.
4. De uitoefening door de inspecteur-generaal van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.
2. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aan de directeur Kernfysische dienst en zijn plaatsvervanger, voorzover deze bevoegdheid betrekking heeft op de handhaving van de Kernenergiewet.
3. De inspecteur-generaal is bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van zijn machtiging, bedoeld in artikel 2, derde lid, aan de directeur VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst.
4. De uitoefening door de inspecteur-generaal van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.