BWBR0025579
Geldig vanaf 2009-04-02
Artikel 4
Regeling vaststelling bedragen 2009 ex artikelen 2 en 3 Besluit bekostiging financieel toezicht
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 0 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 3:8 van de wetdient te worden vastgesteld.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 0 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9of artikel 4:10 van de wetdient te worden vastgesteld.
3. De bedragen, bedoeld in artikel 3, worden vermeerderd met een bedrag van € 800 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 4:10 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van een aanvraag of tot verlening van de verklaring van geen bezwaar.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.300 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en de onderdelen c, h tot en met w en aa, wordt telkens vermeerderd met een bedrag van € 475 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.300 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen x tot en met z en bb tot en met gg, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.300 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld.
8. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:
a. € 800 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9 van de wet dient te worden vastgesteld.
b. € 1400 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 3:8 van de wet dient te worden vastgesteld.
c. € 800 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikelen 4:10 van de wet;
d. € 1.300 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een persoon die het dagelijks beleid bepaalt van een aanbieder van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet;
e. € 1.300 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, die het dagelijks beleid bepaalt van een beheerder of bewaarder als bedoeld in artikel 2:67, eerste lid, van de wet of van een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 2:68, eerste lid, van de wet;
f. € 1.300 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, die het dagelijks beleid bepaalt van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2:96 van de wet, voor zover het niet betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet;
g. € 475 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, die het dagelijks beleid bepaalt van een financiële dienstverlener die geen aanbieder van beleggingsobjecten is;
h. € 475 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 0 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9of artikel 4:10 van de wetdient te worden vastgesteld.
3. De bedragen, bedoeld in artikel 3, worden vermeerderd met een bedrag van € 800 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 4:10 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van een aanvraag of tot verlening van de verklaring van geen bezwaar.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.300 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en de onderdelen c, h tot en met w en aa, wordt telkens vermeerderd met een bedrag van € 475 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.300 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen x tot en met z en bb tot en met gg, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.300 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld.
8. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:
a. € 800 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9 van de wet dient te worden vastgesteld.
b. € 1400 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 3:8 van de wet dient te worden vastgesteld.
c. € 800 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikelen 4:10 van de wet;
d. € 1.300 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een persoon die het dagelijks beleid bepaalt van een aanbieder van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet;
e. € 1.300 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, die het dagelijks beleid bepaalt van een beheerder of bewaarder als bedoeld in artikel 2:67, eerste lid, van de wet of van een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 2:68, eerste lid, van de wet;
f. € 1.300 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, die het dagelijks beleid bepaalt van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2:96 van de wet, voor zover het niet betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet;
g. € 475 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, die het dagelijks beleid bepaalt van een financiële dienstverlener die geen aanbieder van beleggingsobjecten is;
h. € 475 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet.