BWBR0025390
Geldig vanaf 2010-04-16
Artikel 5
Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen
1. Eigen inkomsten in de zin van deze regeling zijn de volgende baten:
a. publieksinkomsten,
b. inkomsten uit het VSBfonds,
c. andere eigen inkomsten, niet zijnde publiekinkomsten of inkomsten uit het VSBfonds, te weten: 1. directe opbrengsten te weten sponsorinkomsten en overige inkomsten :
2. indirecte opbrengsten, en
3. overige subsidies/bijdragen voor zover het betreft bijdragen uit private middelen.
1. directe opbrengsten te weten sponsorinkomsten en overige inkomsten :
2. indirecte opbrengsten, en
3. overige subsidies/bijdragen voor zover het betreft bijdragen uit private middelen.
2. Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten als bedoeld in het handboek:
a. subsidies die zijn verstrekt vanwege het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, een provincie of een gemeente,
b. overige subsidies/bijdragen voor zover het betreft subsidies uit publieke middelen,
c. rentebaten, en
d. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.
3. Voor de berekening van de extra eigen inkomsten wordt eerst de groei per onderdeel als bedoeld in het eerste lid berekend. Op basis daarvan worden de totale extra eigen inkomsten berekend.
a. publieksinkomsten,
b. inkomsten uit het VSBfonds,
c. andere eigen inkomsten, niet zijnde publiekinkomsten of inkomsten uit het VSBfonds, te weten: 1. directe opbrengsten te weten sponsorinkomsten en overige inkomsten :
2. indirecte opbrengsten, en
3. overige subsidies/bijdragen voor zover het betreft bijdragen uit private middelen.
1. directe opbrengsten te weten sponsorinkomsten en overige inkomsten :
2. indirecte opbrengsten, en
3. overige subsidies/bijdragen voor zover het betreft bijdragen uit private middelen.
2. Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten als bedoeld in het handboek:
a. subsidies die zijn verstrekt vanwege het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, een provincie of een gemeente,
b. overige subsidies/bijdragen voor zover het betreft subsidies uit publieke middelen,
c. rentebaten, en
d. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.
3. Voor de berekening van de extra eigen inkomsten wordt eerst de groei per onderdeel als bedoeld in het eerste lid berekend. Op basis daarvan worden de totale extra eigen inkomsten berekend.