BWBR0025322
Geldig vanaf 2009-02-27
Artikel 2
Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling ondernemers 2009–2010
1. Indien is voldaan aan de bepalingen van deze regeling verleent de Minister op aanvraag van de kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen in de vorm van een borgstelling op de met de ondernemer gesloten kredietovereenkomst.
2. De Minister verleent een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen in de vorm van een borgstelling niet indien:
a. een ondernemer voor een krediet voor bedrijf of zelfstandig beroep een beroep kan doen op een geldlening bij een kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank die, gezien haar aard en doel, passend en toereikend is voor de ondernemer;
b. een ondernemer geen levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent of voornemens is te starten;
c. er sprake is van gehele of gedeeltelijke voortzetting van een uitkering en de uitvoeringsinstelling geen goedkeuring geeft aan de ondernemer voor het starten of voortzetten van een bedrijf of zelfstandig beroep;
d. de aard van de activiteiten van de ondernemer indruist tegen de openbare orde, de goede zeden of het maatschappelijk belang; en
e. het hoofdverblijf van de ondernemer niet is gevestigd in de gemeente Hengelo, Leeuwarden, Lelystad, Rotterdam of Tilburg.
3. De Minister informeert de kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank desgevraagd over de stand van de uitputting van het budget voor deze regeling in verband met het een maximum dat in artikel 6is gesteld met betrekking tot het beschikbare budget voor borgstellingsovereenkomsten.
2. De Minister verleent een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen in de vorm van een borgstelling niet indien:
a. een ondernemer voor een krediet voor bedrijf of zelfstandig beroep een beroep kan doen op een geldlening bij een kredietinstelling of gemeentelijke kredietbank die, gezien haar aard en doel, passend en toereikend is voor de ondernemer;
b. een ondernemer geen levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent of voornemens is te starten;
c. er sprake is van gehele of gedeeltelijke voortzetting van een uitkering en de uitvoeringsinstelling geen goedkeuring geeft aan de ondernemer voor het starten of voortzetten van een bedrijf of zelfstandig beroep;
d. de aard van de activiteiten van de ondernemer indruist tegen de openbare orde, de goede zeden of het maatschappelijk belang; en
e. het hoofdverblijf van de ondernemer niet is gevestigd in de gemeente Hengelo, Leeuwarden, Lelystad, Rotterdam of Tilburg.
3. De Minister informeert de kredietinstelling of de gemeentelijke kredietbank desgevraagd over de stand van de uitputting van het budget voor deze regeling in verband met het een maximum dat in artikel 6is gesteld met betrekking tot het beschikbare budget voor borgstellingsovereenkomsten.