BWBR0025040
Geldig vanaf 2014-06-11
Artikel 11a
Mediaregeling 2008
1. De NPO en de publieke media-instellingen melden een experimentele nevenactiviteit als bedoeld in artikel 2.132, vierde lid, van de wetvoorafgaand aan de start daarvan bij het Commissariaat.
2. De melding geschiedt op een door het Commissariaat vast te stellen wijze.
3. De melding bevat in elk geval:
a. een precieze beschrijving van de nevenactiviteit;
b. de doelstellingen van de nevenactiviteit;
c. een onderbouwing van de wijze waarop de nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling;
d. de wijze waarop de nevenactiviteit wordt gefinancierd, met een onderbouwing van de marktconformiteit en kostendekkendheid;
e. de naam, vestigingsplaats, contactgegevens, alsmede de aard en omvang van de (bedrijfs)activiteiten van de mediabedrijven en culturele instellingen met wie in het kader van de nevenactiviteit wordt samengewerkt;
f. een onderbouwing van de keuze voor de mediabedrijven en culturele instellingen met wie in het kader van de nevenactiviteit wordt samengewerkt en de wijze waarop die keuze wordt herbeoordeeld; en
g. een beschrijving van de wijze waarop de nevenactiviteit wordt geëvalueerd.
2. De melding geschiedt op een door het Commissariaat vast te stellen wijze.
3. De melding bevat in elk geval:
a. een precieze beschrijving van de nevenactiviteit;
b. de doelstellingen van de nevenactiviteit;
c. een onderbouwing van de wijze waarop de nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling;
d. de wijze waarop de nevenactiviteit wordt gefinancierd, met een onderbouwing van de marktconformiteit en kostendekkendheid;
e. de naam, vestigingsplaats, contactgegevens, alsmede de aard en omvang van de (bedrijfs)activiteiten van de mediabedrijven en culturele instellingen met wie in het kader van de nevenactiviteit wordt samengewerkt;
f. een onderbouwing van de keuze voor de mediabedrijven en culturele instellingen met wie in het kader van de nevenactiviteit wordt samengewerkt en de wijze waarop die keuze wordt herbeoordeeld; en
g. een beschrijving van de wijze waarop de nevenactiviteit wordt geëvalueerd.