BWBR0024997
Geldig vanaf 2009-01-01
Artikel 4
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Gezond en Veilig Werken 2009
Het hoofd van de afdeling Veilig Werken is verantwoordelijk voor de volgende algemene taken:
a. het bevorderen van de preventie van arbeidsrisico’s op het taakgebied van de chemische veiligheid, de bouwveiligheid, arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen;
b. het ontwikkelen van beleid op het gebied van bedrijfshulpverlening;
c. het stimuleren van ontwerp, productie en toepassing van arbovriendelijke producten;
d. het ontwikkelen en implementeren van productveiligheidsbeleid op de werkplek in het kader van de Warenwet;
e. het bevorderen van de preventie van arbeidsongevallen en van zware ongevallen als gevolg van toxische wolk, brand en explosie;
f. het ontwikkelen en implementeren van beleid gericht op het versterken van het veiligheidsbewustzijn en de veiligheidscultuur in bedrijven;
g. het bevorderen van de naleving van wettelijke voorschriften met betrekking tot de preventie van risico’s, genoemd in dit artikel;
h. het ontwikkelen en onderhouden van normeringaspecten in de regelgeving van de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
i. het bevorderen van kennisontwikkeling bij werkgevers en werknemers op de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
j. het leveren van bijdragen aan de ontwikkeling van (Europese) richtlijnen en de beïnvloeding van internationale agendasetting met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in de onderwerpen a tot en met e;
k. het verzamelen en interpreteren van informatie over blootstelling aan gevaarlijke invloeden van producten en van ongevalsinformatie, via monitoring en het laten uitvoeren van de monitor arbeidsongevallen;
l. het coördineren en vormgeven van onderzoeks-, monitor- en beleidsinformatietaken van de directie;
m. het coördineren van de bijdragen aan de ontwikkeling van het programmatisch handhaven en van de daartoe te onderhouden in- en externe contacten vanuit de directie, in het bijzonder met de relevante directies van de Arbeidsinspectie;
n. het borgen van voldoende deskundigheid ten behoeve van de beleidsinzet op de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met f en j.
a. het bevorderen van de preventie van arbeidsrisico’s op het taakgebied van de chemische veiligheid, de bouwveiligheid, arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen;
b. het ontwikkelen van beleid op het gebied van bedrijfshulpverlening;
c. het stimuleren van ontwerp, productie en toepassing van arbovriendelijke producten;
d. het ontwikkelen en implementeren van productveiligheidsbeleid op de werkplek in het kader van de Warenwet;
e. het bevorderen van de preventie van arbeidsongevallen en van zware ongevallen als gevolg van toxische wolk, brand en explosie;
f. het ontwikkelen en implementeren van beleid gericht op het versterken van het veiligheidsbewustzijn en de veiligheidscultuur in bedrijven;
g. het bevorderen van de naleving van wettelijke voorschriften met betrekking tot de preventie van risico’s, genoemd in dit artikel;
h. het ontwikkelen en onderhouden van normeringaspecten in de regelgeving van de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
i. het bevorderen van kennisontwikkeling bij werkgevers en werknemers op de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e;
j. het leveren van bijdragen aan de ontwikkeling van (Europese) richtlijnen en de beïnvloeding van internationale agendasetting met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in de onderwerpen a tot en met e;
k. het verzamelen en interpreteren van informatie over blootstelling aan gevaarlijke invloeden van producten en van ongevalsinformatie, via monitoring en het laten uitvoeren van de monitor arbeidsongevallen;
l. het coördineren en vormgeven van onderzoeks-, monitor- en beleidsinformatietaken van de directie;
m. het coördineren van de bijdragen aan de ontwikkeling van het programmatisch handhaven en van de daartoe te onderhouden in- en externe contacten vanuit de directie, in het bijzonder met de relevante directies van de Arbeidsinspectie;
n. het borgen van voldoende deskundigheid ten behoeve van de beleidsinzet op de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a tot en met f en j.