BWBR0024981
Geldig vanaf 2009-01-01
Artikel 21
Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs
1. De ontvanger van de subsidie brengt de voorziening voor praktijkleren tot stand overeenkomstig het investeringsplan, bedoeld in artikel 17. De Minister kan goedkeuring verlenen aan een tussentijdse, gemotiveerde en onderbouwde wijziging van het investeringsplan, tenzij de wijziging verhoging van het bedrag van de subsidie of het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld, tot gevolg heeft.
2. De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en in voorkomende gevallen artikel 17, vierde lid, dient binnen vier maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of, indien de activiteiten niet zijn uitgevoerd of niet zijn afgerond, binnen vier maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, de aanvraag voor de vaststelling van de subsidie met een financieel verslag, vergezeld van een rapportage omtrent de bestemming en besteding van de subsidie, in bij Dienst Regelingen.
3. De rapportage, bedoeld in het tweede lid, omvat ten minste:
a. de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering;
b. de mate van realisatie van de voorziening waarvoor de subsidie is aangevraagd;
c. de mate van realisatie van de beoogde samenwerking tussen de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 17, derde lid;
d. een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het doel van de investering;
e. de verwachtingen ten aanzien van de exploitatie van de voorziening.
4. Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.
5. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.
2. De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en in voorkomende gevallen artikel 17, vierde lid, dient binnen vier maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of, indien de activiteiten niet zijn uitgevoerd of niet zijn afgerond, binnen vier maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, de aanvraag voor de vaststelling van de subsidie met een financieel verslag, vergezeld van een rapportage omtrent de bestemming en besteding van de subsidie, in bij Dienst Regelingen.
3. De rapportage, bedoeld in het tweede lid, omvat ten minste:
a. de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering;
b. de mate van realisatie van de voorziening waarvoor de subsidie is aangevraagd;
c. de mate van realisatie van de beoogde samenwerking tussen de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 17, derde lid;
d. een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het doel van de investering;
e. de verwachtingen ten aanzien van de exploitatie van de voorziening.
4. Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.
5. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.