BWBR0024981
Geldig vanaf 2009-01-01
Artikel 17
Regeling praktijkleren en versterking primaire opleidingen groen onderwijs
1. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt ingediend bij Dienst Regelingen, in de vorm van een investeringsplan volgens een daartoe door deze Dienst vastgesteld formulier.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool of Wageningen Universiteit.
3. Bij de aanvraag wordt een samenwerkingsovereenkomst gevoegd die mede is ondertekend door ten minste één bedrijf. Onder bedrijf kan mede worden verstaan een praktijkbedrijf voor landbouwkundig onderzoek. De samenwerkingsovereenkomst omvat tenminste de informatie overeenkomstig een daartoe door Dienst Regelingen vastgesteld model.
4. De samenwerkingsovereenkomst kan zijn ondertekend door meer dan één agrarisch opleidingscentrum of hogeschool, of door een combinatie van een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool en, onderscheidenlijk of, Wageningen Universiteit. In dat geval treedt de aanvrager, bedoeld in het tweede lid, op als penvoerder en ontvanger van de subsidie.
5. Het investeringsplan, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste de volgende onderdelen:
a. gegevens waaruit blijkt dat de voorziening aanvullend is op bestaande voorzieningen voor praktijkleren, gebaseerd op een analyse van het aanbod en de regionale spreiding van bestaande voorzieningen voor praktijkleren die overeenkomen met de aangevraagde voorziening en van het gebruik van die voorzieningen;
b. gegevens waaruit de vraag naar de voorziening blijkt, gebaseerd op een analyse van de aantallen potentiële gebruikers, in relatie tot het mogelijk gebruik van bestaande voorzieningen;
c. het doel van de voorziening, waaronder het soort opleiding waarvoor deze is bedoeld en de verbeteringen ten opzichte van de bestaande voorzieningen voor praktijkleren die door de aangevraagde voorziening worden gerealiseerd;
d. de vorm waarin praktijkleren in deze voorziening wordt gerealiseerd en de overwegingen daartoe, ondermeer in relatie tot ontwikkelingen en vernieuwingen in de bedrijven waar het te oefenen beroep wordt uitgeoefend;
e. de beoogde organisatie van de voorziening en de rol die de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst in deze organisatie zullen hebben;
f. een begroting voor het tot stand brengen van de voorziening en voor de exploitatie van de voorziening, waaruit het aangevraagde subsidiebedrag en het aandeel van de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst in de financiering van de investering en in de exploitatie blijken; het aandeel van het bedrijf of van de bedrijven in de begroting kan geheel of ten dele bestaan uit de kapitalisatie van inzet van bedrijfsmiddelen of inzet van arbeid; de begroting wordt opgesteld overeenkomstig een door Dienst Regelingen vastgesteld model;
g. een analyse van de verhouding tussen kosten en baten van investering en exploitatie van de aangevraagde voorziening, in vergelijking met de kosten en baten van het gebruik van overeenkomstige bestaande voorzieningen;
h. in voorkomende gevallen toont de aanvrager de meerwaarde van de voorziening, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aan voor een programma of project waarvoor op basis van de Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs subsidie is ontvangen;
i. een verklaring dat de voorziening beschikbaar zal zijn voor de afdelingen en voor agrarische opleidingscentra, hogescholen en Wageningen Universiteit, voor zover deze de samenwerkingsovereenkomst niet hebben ondertekend, en het gaat om opleidingen waarvoor de aangevraagde voorziening is bedoeld, en gegevens waaruit blijkt dat het gebruik van de voorziening door deze instellingen ook feitelijk mogelijk zal zijn.
6. In de begroting zijn geen kosten opgenomen die uit andere hoofde zijn of worden gefinancierd van overheidswege.
7. In de begroting is geen debetrente opgenomen.
8. In de begroting voor het tot stand brengen van de voorziening, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel f, is naast het gevraagde subsidiebedrag een aandeel in de financiering van iedere ondertekenaar van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, opgenomen. Dit aandeel kan voor iedere ondertekenaar verschillend zijn. De aanvraag wordt alleen goedgekeurd als de Minister het aangevraagde subsidiebedrag redelijk acht in verhouding tot het gezamenlijke aandeel van de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool of Wageningen Universiteit.
3. Bij de aanvraag wordt een samenwerkingsovereenkomst gevoegd die mede is ondertekend door ten minste één bedrijf. Onder bedrijf kan mede worden verstaan een praktijkbedrijf voor landbouwkundig onderzoek. De samenwerkingsovereenkomst omvat tenminste de informatie overeenkomstig een daartoe door Dienst Regelingen vastgesteld model.
4. De samenwerkingsovereenkomst kan zijn ondertekend door meer dan één agrarisch opleidingscentrum of hogeschool, of door een combinatie van een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool en, onderscheidenlijk of, Wageningen Universiteit. In dat geval treedt de aanvrager, bedoeld in het tweede lid, op als penvoerder en ontvanger van de subsidie.
5. Het investeringsplan, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste de volgende onderdelen:
a. gegevens waaruit blijkt dat de voorziening aanvullend is op bestaande voorzieningen voor praktijkleren, gebaseerd op een analyse van het aanbod en de regionale spreiding van bestaande voorzieningen voor praktijkleren die overeenkomen met de aangevraagde voorziening en van het gebruik van die voorzieningen;
b. gegevens waaruit de vraag naar de voorziening blijkt, gebaseerd op een analyse van de aantallen potentiële gebruikers, in relatie tot het mogelijk gebruik van bestaande voorzieningen;
c. het doel van de voorziening, waaronder het soort opleiding waarvoor deze is bedoeld en de verbeteringen ten opzichte van de bestaande voorzieningen voor praktijkleren die door de aangevraagde voorziening worden gerealiseerd;
d. de vorm waarin praktijkleren in deze voorziening wordt gerealiseerd en de overwegingen daartoe, ondermeer in relatie tot ontwikkelingen en vernieuwingen in de bedrijven waar het te oefenen beroep wordt uitgeoefend;
e. de beoogde organisatie van de voorziening en de rol die de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst in deze organisatie zullen hebben;
f. een begroting voor het tot stand brengen van de voorziening en voor de exploitatie van de voorziening, waaruit het aangevraagde subsidiebedrag en het aandeel van de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst in de financiering van de investering en in de exploitatie blijken; het aandeel van het bedrijf of van de bedrijven in de begroting kan geheel of ten dele bestaan uit de kapitalisatie van inzet van bedrijfsmiddelen of inzet van arbeid; de begroting wordt opgesteld overeenkomstig een door Dienst Regelingen vastgesteld model;
g. een analyse van de verhouding tussen kosten en baten van investering en exploitatie van de aangevraagde voorziening, in vergelijking met de kosten en baten van het gebruik van overeenkomstige bestaande voorzieningen;
h. in voorkomende gevallen toont de aanvrager de meerwaarde van de voorziening, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aan voor een programma of project waarvoor op basis van de Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs subsidie is ontvangen;
i. een verklaring dat de voorziening beschikbaar zal zijn voor de afdelingen en voor agrarische opleidingscentra, hogescholen en Wageningen Universiteit, voor zover deze de samenwerkingsovereenkomst niet hebben ondertekend, en het gaat om opleidingen waarvoor de aangevraagde voorziening is bedoeld, en gegevens waaruit blijkt dat het gebruik van de voorziening door deze instellingen ook feitelijk mogelijk zal zijn.
6. In de begroting zijn geen kosten opgenomen die uit andere hoofde zijn of worden gefinancierd van overheidswege.
7. In de begroting is geen debetrente opgenomen.
8. In de begroting voor het tot stand brengen van de voorziening, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel f, is naast het gevraagde subsidiebedrag een aandeel in de financiering van iedere ondertekenaar van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, opgenomen. Dit aandeel kan voor iedere ondertekenaar verschillend zijn. De aanvraag wordt alleen goedgekeurd als de Minister het aangevraagde subsidiebedrag redelijk acht in verhouding tot het gezamenlijke aandeel van de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst.