BWBR0024979
Geldig vanaf 2008-12-26
Artikel 3
Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties rechterlijke beroepen
1. Met inachtneming van artikel 11 van de wetstelt de Minister de aanvrager op de hoogte van de eis van het met goed gevolg afleggen van een proeve van bekwaamheid.
2. De Minister informeert de aanvrager schriftelijk over:
a. op welke gebieden van het Nederlands recht, genoemd in de artikelen 38 b en 38c van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, artikel 21a van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren of artikel 1 van het Besluit beroepsvereisten Raad van State, de proeve van bekwaamheid betrekking heeft;
b. de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen;
c. de termijn waarbinnen de proeve van bekwaamheid dient te geschieden; en
d. de kosten die aan het afleggen van de proeve van bekwaamheid zijn verbonden.
3. De Minister draagt zorg voor het kunnen afleggen van een proeve van bekwaamheid, bestaande uit het afleggen van een of meer examens met betrekking tot de kennis van en het inzicht in een of meer van de gebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, aan een universiteit of de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekbetrekking heeft.
4. De Minister draagt ervoor zorg dat de aanvrager:
a. tenminste eenmaal per jaar de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de proeve van bekwaamheid;
b. inzicht verkrijgt in de normen die worden gehanteerd bij de beoordeling van de proeve van bekwaamheid;
c. wordt geïnformeerd over het vereiste studiemateriaal;
d. wordt geïnformeerd over degene aan wie de kosten van de proeve van bekwaamheid moeten worden voldaan; en
e. binnen vier weken schriftelijk wordt meegedeeld wat het resultaat van het afleggen van de proeve van bekwaamheid is.
5. De aanvrager die voor een of meer onderdelen van de proeve van bekwaamheid het examen niet met goed gevolg heeft afgelegd, kan voor elk van die onderdelen opnieuw een examen afleggen. De met goed gevolg afgelegde examens behouden hun geldigheid gedurende vijf jaar.
6. De proeve van bekwaamheid wordt in de Nederlandse taal afgelegd.
2. De Minister informeert de aanvrager schriftelijk over:
a. op welke gebieden van het Nederlands recht, genoemd in de artikelen 38 b en 38c van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, artikel 21a van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren of artikel 1 van het Besluit beroepsvereisten Raad van State, de proeve van bekwaamheid betrekking heeft;
b. de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen;
c. de termijn waarbinnen de proeve van bekwaamheid dient te geschieden; en
d. de kosten die aan het afleggen van de proeve van bekwaamheid zijn verbonden.
3. De Minister draagt zorg voor het kunnen afleggen van een proeve van bekwaamheid, bestaande uit het afleggen van een of meer examens met betrekking tot de kennis van en het inzicht in een of meer van de gebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, aan een universiteit of de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekbetrekking heeft.
4. De Minister draagt ervoor zorg dat de aanvrager:
a. tenminste eenmaal per jaar de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de proeve van bekwaamheid;
b. inzicht verkrijgt in de normen die worden gehanteerd bij de beoordeling van de proeve van bekwaamheid;
c. wordt geïnformeerd over het vereiste studiemateriaal;
d. wordt geïnformeerd over degene aan wie de kosten van de proeve van bekwaamheid moeten worden voldaan; en
e. binnen vier weken schriftelijk wordt meegedeeld wat het resultaat van het afleggen van de proeve van bekwaamheid is.
5. De aanvrager die voor een of meer onderdelen van de proeve van bekwaamheid het examen niet met goed gevolg heeft afgelegd, kan voor elk van die onderdelen opnieuw een examen afleggen. De met goed gevolg afgelegde examens behouden hun geldigheid gedurende vijf jaar.
6. De proeve van bekwaamheid wordt in de Nederlandse taal afgelegd.