BWBR0024932
Geldig vanaf 2009-01-01
Artikel 3
Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties beëdigde tolken en vertalers
1. De aanvraag wordt ingediend bij het bestuur, met een duidelijke omschrijving van het betreffende gereglementeerde beroep, en met aanduiding van de betreffende bron- en doeltalen, per taalcombinatie en per taalvaardigheid.
2. De aanvrager legt bij de aanvraag de volgende bescheiden over aan het bestuur:
a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de wet;
b. een kopie van de opleidingstitels en bekwaamheidsattesten: i. gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst op grond waarvan de aanvrager in die betrokken staat recht heeft op toegang tot en uitoefening van het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt; of
ii. gewaarmerkt door het in een derde land bevoegde gezag dat de opleidingstitel heeft afgegeven en een bewijsstuk, gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat dit bevoegde gezag de opleidingstitel heeft erkend alsmede dat de aanvrager ten minste drie jaar beroepservaring in het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep heeft opgedaan op het grondgebied van die betrokken staat en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt;
i. gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst op grond waarvan de aanvrager in die betrokken staat recht heeft op toegang tot en uitoefening van het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt; of
ii. gewaarmerkt door het in een derde land bevoegde gezag dat de opleidingstitel heeft afgegeven en een bewijsstuk, gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat dit bevoegde gezag de opleidingstitel heeft erkend alsmede dat de aanvrager ten minste drie jaar beroepservaring in het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep heeft opgedaan op het grondgebied van die betrokken staat en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt;
c. een overzicht van vakken die onderdeel hebben uitgemaakt van de opleidingen, waarin opleidingstitels zijn behaald als bedoeld in onderdeel b, en waarin de aanvrager met goed gevolg examen heeft afgelegd alsmede een leerstofomschrijving van deze vakken en de daarbij behorende studietijd;
d. in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring, waaronder inzicht in de duur van deze beroepservaring en de onderdelen en inhoud waaruit de beroepswerkzaamheden hebben bestaan;
e. een verklaring omtrent gedrag afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst, of een met die verklaring overeenkomend document bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet, met dien verstande dat de verklaring of het document ten tijde van de indiening van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden.
3. Indien het bestuur een eerdere aanvraag heeft afgewezen en hierbij een mededeling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, heeft gedaan, doet de aanvrager de aanvraag tevens vergezeld gaan van:
a. een verklaring, bedoeld in artikel 5, tweede lid; of
b. een verklaring, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
4. Het bestuur kan verlangen dat de aanvrager nadere informatie verstrekt over:
a. de aard, de inhoud en de duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding; en
b. de beroepservaring van de aanvrager.
5. Het bestuur kan verlangen dat de aanvraag en de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met e en vierde lid, die zijn gesteld in een andere dan de Nederlandse taal, vergezeld gaan van beëdigde vertalingen in het Nederlands.
2. De aanvrager legt bij de aanvraag de volgende bescheiden over aan het bestuur:
a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de wet;
b. een kopie van de opleidingstitels en bekwaamheidsattesten: i. gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst op grond waarvan de aanvrager in die betrokken staat recht heeft op toegang tot en uitoefening van het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt; of
ii. gewaarmerkt door het in een derde land bevoegde gezag dat de opleidingstitel heeft afgegeven en een bewijsstuk, gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat dit bevoegde gezag de opleidingstitel heeft erkend alsmede dat de aanvrager ten minste drie jaar beroepservaring in het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep heeft opgedaan op het grondgebied van die betrokken staat en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt;
i. gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst op grond waarvan de aanvrager in die betrokken staat recht heeft op toegang tot en uitoefening van het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt; of
ii. gewaarmerkt door het in een derde land bevoegde gezag dat de opleidingstitel heeft afgegeven en een bewijsstuk, gewaarmerkt door het bevoegde gezag in de betrokken staat van oorsprong of herkomst waaruit blijkt dat dit bevoegde gezag de opleidingstitel heeft erkend alsmede dat de aanvrager ten minste drie jaar beroepservaring in het gereglementeerde beroep tolk of vertaler of een daarmee vergelijkbaar beroep heeft opgedaan op het grondgebied van die betrokken staat en waaruit tevens de duur van de opleiding blijkt;
c. een overzicht van vakken die onderdeel hebben uitgemaakt van de opleidingen, waarin opleidingstitels zijn behaald als bedoeld in onderdeel b, en waarin de aanvrager met goed gevolg examen heeft afgelegd alsmede een leerstofomschrijving van deze vakken en de daarbij behorende studietijd;
d. in voorkomend geval een bewijs van de beroepservaring, waaronder inzicht in de duur van deze beroepservaring en de onderdelen en inhoud waaruit de beroepswerkzaamheden hebben bestaan;
e. een verklaring omtrent gedrag afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst, of een met die verklaring overeenkomend document bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet, met dien verstande dat de verklaring of het document ten tijde van de indiening van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden.
3. Indien het bestuur een eerdere aanvraag heeft afgewezen en hierbij een mededeling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, heeft gedaan, doet de aanvrager de aanvraag tevens vergezeld gaan van:
a. een verklaring, bedoeld in artikel 5, tweede lid; of
b. een verklaring, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
4. Het bestuur kan verlangen dat de aanvrager nadere informatie verstrekt over:
a. de aard, de inhoud en de duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding; en
b. de beroepservaring van de aanvrager.
5. Het bestuur kan verlangen dat de aanvraag en de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met e en vierde lid, die zijn gesteld in een andere dan de Nederlandse taal, vergezeld gaan van beëdigde vertalingen in het Nederlands.